Bandoneonspeler, orkestleider, componist, filmacteur en docent.
Geboren als Federico, Domingo Serafín op 4 juni 1916 (Buenos Aires).
Overleden op 6 april 2000 (Rosario).
Inhoud
Gepubliceerd
Inleiding
Domingo Federico werd in 1916 geboren in Buenos Aires maar de familie verhuisde naar Carmen de Patagones [1]. Zijn vader Francisco was violist en leerde op zeker moment bandoneon. Domingo leerde beide door naar zijn vader te kijken en volgde ook nog pianoles bij Theo Sun, een muziekleraar van Japanse afkomst. De bandoneon sprak hem het meest aan en zijn vader gaf hem de eerste lessen.
Vader werd ziek en de familie keerde terug naar Buenos Aires. Domingo begon aan de middelbare school en bleef met veel doorzettingsvermogen op eigen houtje bandoneon studeren. Domingo en zijn zus Nélida Federico moesten na schooltijd de kost verdienen. Ze zeiden tegen hun ouders dat ze in een theehuisje werkten. In werkelijkheid gingen ze in tavernes en dansgelegenheden optreden. Nélida zong en Domingo speelde bandoneon.
Tijdens zijn doctersstudie besloot hij zich te perfectioneren aan het conservatorium van Pedro Maffia en Sebastián Piana. Piana instrueerde hem verder in notenleer en Maffia perfectioneerde zijn bandoneonwerk. Zelf gaf hij zijn kennis in het bandoneonspelen door aan zijn zus.
[1]
[1] Carmen de Patagones of kortweg Patagones is de meest zuidelijke stad van de provincie Buenos Aires op zo’n 900 km ten zuidoosten van de hoofdstad.
Muziekloopbaan
Domingo was pas vijftien jaar toen broer en zus optraden in het Teatro San Martín. In de loop der jaren leidde hij een “Orquesta de Señoritas” – wat voor die tijd ongewoon was – waarin ook zijn zuster Nélida bandoneon speelde. Zijn enthousiasme voor de tango en de positieve reacties van het publiek zorgden ervoor dat hij zijn universitaire studie opgaf om zich volledig aan de muziek te wijden.
Hij speelde bij de orkest van onder meer Ricardo Brignolo [2] en Juan Canaro [3]. Juan’s broer Francisco Canaro [4] was goed bevriend met Federico die zich stoorde dat anderen Canaro ervan beschuldigden zijn composities voor een habbekrats af te kopen.
In 1939 trad hij toe als eerste bandoneonist tot het orkest van Miguel Caló, die zelf de bandoneon wisselde voor het dirigeerwerk. Hij speelde er samen met violist Enrique Francini, bandoneonist Armando Pontier en pianist Osmar Maderna.
[2] – [4]
[2] Ricardo Luis Brignolo alias La Nena (1892 Buenos Aires – 1954 id) was pianist, bandoneonist en componist. Hij schreef ook enkele teksten onder meer van de tango ‘Chiqué‘
[3] Juan Canaro alias Macaco (1892 San José, Urugguay – 1977 Mar del Plata, prov. Buenos Aires) was bandoneonist, orkestleider en componist. Zijn broers Francisco en Rafael waren ook orkestleiders.
[4] Francisco Canaro (1888 San José, Uruguay – 1964 Buenos Aires) was violist, orkestleider en componist. Meer in ons artikel.
Orquesta Típica Domingo Federico
Op 16 juni 1943 maakte hij zijn debuut met de zangers Alberto Tagle en Alberto Castel. In april 1944 kwam zijn eerste plaat uit met de nummers ’Saludos’ en ‘La culpa tuve yo’ met zang van Ignacio Díaz die dat jaar ziek werd en er maar één opname met hem is. Domingo werkte daarna met de zangers Carlos Vidal en Oscar Larroca tot eind jaren ’40. Er volgen nog andere zangers en het orkest nam een honderdtal nummers op.
- ’Saludos’ instrumentaal beluister
- ‘Cosas del Amor’ canta Carlos Vidal en Oscar Larroca 1948 beluister
Domingo Federico was ook filmacteur en werkte als muzikaal regisseur aan verschillende films. Zijn orkest speelde er dan ook regelmatig in.

Domingo Federico, Carlos Vidal en Oscar Larroca
tijdens de opname van de film Otra Cosa es con Guitarra 1949
In 1957 vestigde hij zich in Rosario [5] en stelde een groot orkest samen met uitstekende musici met de vocalisten Rubén Sánchez en Rubén Maciel.
- ‘Yo tengo un pecado nuevo’ cantan Sánchez y Maciel 1960 beluister
Federico trad ook op met het ‘Trío Saludos’, op radio en televisie, op bals en in theaters en in muzikale komedies.
Hij maakte 45 tournees door Argentinië en Latijns-Amerikaanse landen. Hij deed 120 recitals in Japan, als bandoneonist van het orkest Francisco Canaro in 1961 en als leider van het kwintet ‘A lo Pirincho’. In 1962 bracht Caló zijn oud orkest terug samen met onder meer Francini, Pontier en zangers Berón en Podestá onder de naam La Orquesta de las Estrellas voor radio-optredens en opnames. Toen ging Federico’s ‘En la calle’ in première.

Tot zeer kort voor zijn dood, op 83-jarige leeftijd, leidde hij zijn universitaire bandoneon-leerstoel in Rosario, de eerste ter wereld. Hij maakte nog opnamen met het Orquesta Juvenil de Tango van de Universidad Nacional de Rosario, dat hij in 1994 had opgericht. In 1999 nam hij het Orquesta Juvenil de la UNR mee naar Europa, op tournee door Duitsland, Nederland en Zwitserland.
- ‘Al gran Olmedo’ Orquesta Juvenil de Tango de la U.N.R. canta Carlos Calcagno 1994 beluister
[5]
[5] Rosario: 3de grootste stad van Argentinië in de provincie Santa Fé dat op zich ten westen van Uruguay ligt.
Verhaal en visie
Al compás del corazón
Federico was net tot het ensemble van Miguel Caló toegetreden en liet zijn nieuwe compositie ‘Al compás del corazón’ aan zijn collega’s horen. De muzikanten wilden het graag spelen maar de zangers Raúl Berón en Alberto Podestá twijfelden omdat ze de tekst nog niet goed kenden. Toch besloten ze het te spelen op een middag in het café waar Caló meestal niet present was of later kwam. Omdat de zangers het niet wilden zingen, besloot de violist Enrique Francini het te doen. Zo vond het geïmproviseerde debuut van deze tango plaats. Het publiek wilde het nog eens horen. Caló wist toen nog van niets maar nam het later op in zijn repertoire.
Visie
Over de jaren 40 vertelt Federico zelf [6]:
“In die jaren waren er drie soorten publiek. Een groep die kwam luisteren en een groep dansers, in verhoudingen die varieerden naargelang de kenmerken van het orkest. In ons geval was het gelijk verdeeld. En een alomtegenwoordige groep: de moeders. De moeders vormden een cordon rond de dansvloer, dat het meest zichtbaar was in de buurtclubs en minder in de grote zalen, maar altijd aanwezig was. Ze hielden de boel in de gaten. Grappig: als je bij het verlaten van de danszaal een meisje ook maar een haar raakte, werd je afgemaakt; maar als je danste, mocht je haar mee naar huis nemen.”
[6]
[6] “En esos años había tres tipos de público. Un sector que venía a escuchar y otro sector de bailarines, en proporciones que variaban de acuerdo con las características de la orquesta, en nuestro caso la cosa era repartida. Y un sector universal: las madres. Las madres eran un cordón que rodeaba el baile, más visible en los clubes de barrio y más diluido en los grandes salones, pero siempre presente. Estaban de custodia. Qué cómico: si a la salida del baile, uno le rozaba un pelo a una chica, te mataban; y resulta que, bailando, te la podías llevar hasta la casa”.
Domingo Federico als componist
Domingo componeerde een 25-tal tango’s. Hij kende Homero Expósito en samen schreven ze ‘Percal’ , ‘Yo soy el tango’ en ‘Yuyo verde’.
Veel van zijn composities werden eerst door andere orkesten opgenomen zoals dat van Aníbal Troilo en natuurlijk Miguel Caló waar hij zelf muzikant was.
- ‘Yo soy el tango’ Aníbal Troilo canta Francisco Fiorentino 1941 beluister
- ‘Percal’ Miguel Caló canta Alberto Podestá 1943 beluister
Lijst composities Domingo Federico op volgende bladzijde.
Voor de fanaten
Biografie en bron van dit artikel (Spaans) todotango en tangomias
Intervieuw met Nelida Federico Las12