Violist, orkestleider en componist. Geboren als Francini, Enrique Mario op 14 januari 1916 (San Fernando – prov. Buenos Aires). Overleden op 27 augustus 1978 (Buenos Aires).
Hoewel Enrique Francini in San Fernando werd geboren, bracht hij zijn jeugd door in Campana, gelegen aan de Paranárivier. Hij studeerde in Zaraté viool aan het conservatorium dat de Duitse maestro Juan Ehlert [1] had opgericht. Onder zijn medestudenten waren Armando Pontier, Cristóbal Herreros [2] en Héctor Stamponi [3].
[1] – [3]
[1] Juan Elhert werd geboren als Hans Elhert (Bremen, Duitsland, 1901 – Argentinië 1982), was een Duitse violist en componist die zich in Argentinië vestigde. Hij had een orkest en onderscheidde zich door de muziek voor meer dan zestig films te componeren. [2] Cristóbal Herreros (1909 Barcelona – 2002 Buenos Aires) was bandoneonspeler en orkestleider. [3] Héctor Stamponi (1916 Campana, prov. Buenos Aires – 1997 Buenos Aires) was pianist en componist van onder meer ‘El íltimo café’ en ‘Junto a tu corazón’.
Professioneel begon Francini samen met zijn vrienden Pontier en Stamponi bij het orkest van Ehlert. In 1937 gingen de drie vrienden hun geluk in Buenos Aires beproeven. Ze traden er voor Radio Prieto op.
Pontier en Francini verlieten in 1945 Caló om het orkest Francini-Pontier op te richten. Ze debuteerden bij de opening van de later mythisch geworden Tango Bar. Het orkest trad tien jaar lang met groot succes op en perste ongeveer honderdtwintig platen. Hun inspiratie en stijl vonden ze bij Caló en Aníbal Troilo. Alberto Podestá en Raúl Berón – bekend van bij Caló – Roberto Rufino, Julio Sosa en nog vele anderen wisselden elkaar als zanger af.
‘Margo’ , ‘Sirve otra copa’ … Francini – Pontier canta Alberto Podestá beluister
Armando Pontier, Enrique Francini en Héctor Stamponi
Tegelijk vormde Francini soms een duo met vriend Stamponi. In 1955 gingen Pontier en Francini hun eigen weg. Met een eigen orkest dat minder dan een jaar standhield, nam Francini verschillende nummers met Podestá op.
‘Bailemos’ Orquesta Enrique Francini zang Alberto Podestá 1956 beluister
Samenwerking met verschillende collega’s
In 1954 speelde Francini mee in een kwintet met Troilo, Roberto Grela, Kicho Díaz en Horacio Salgán als eerbetoon aan Juan Carlos Cobián (†1953). De jaren erna trad hij toe tot het Octeto Buenos Aires van Astor Piazzolla.
‘La revancha’ Octeto Buenos Aires (album: Tango Progresivo) 1965 beluister
Vervolgens richtte Francini het Quinteto Real op met Horacio Salgán, Pedro Laurenz en Ubaldo de Lío. Hij maakte ook deel uit van Los Astros del Tango en Los Violines de Oro del Tango.
In 1963 vond een reünie plaats van ex-muzikanten van Miguel Caló met onder meer pianist Orlando Trípodi, Pontier, Federico, Podestá en Berón. Samen musiceerden ze onder de naam La Orquesta De Las Estrellas.
Francini richtte in 1970 een sextet op waarin bandoneonist Néstor Marconi de arrangementen verzorgde. Het sextet had groot succes in tangolokaal Caño 14 [4]. Ook op televisie was het sextet populair en er is een langspeelplaat opgenomen. Kort erna in 1973 richtte hij samen met Pontier opnieuw een orkest op en maakten een tournee door Japan met zangeres Alba Solís [5]. In 1977 was hij er weer met een grote voorstelling van meer dan twintig muzikanten en dansparen. Later stelde hij een symfonisch orkest samen waarmee hij onder meer de show Tangos Por El Mundo begeleidde.
Hij stierf aan een hartaanval op 27 augustus 1978 op het podium van Caño 14 tijdens een optreden ter nagedachtenis van Aníbal Troilo (†1975).
[4] en [5]
[4] Caño 14 was een famous tangolokaal dat in 1962 werd opgericht met de hulp van Aníbal Troilo. Caño komt van het Lunfardo wat mislukkeling betekent en het getal 14 wijst op een dronkenschap. [5] Ángela Herminia Lamberti alias Alba Solis (1927 Buenos Aires – 2016 id) was zangeres en actrice. Ze kenmerkte zich door heel dramatisch tango’s te zingen. Er zijn geen opnames met Francini, luister hier naar Alba met het orkest van Osvaldo Tarantino.
Als componist wist Francini zijn muzikale talenten met een diepe passie voor de Argentijnse cultuur te combineren. Zijn composities bevatten zowel elementen uit de tango als de Argentijnse folklore. Het verleende zijn muziek een unieke stem met een harmonieuze mix van melodie en ritme. die zowel de dansvloer als de luisteraar weet te betoveren.
Francini werkte veel samen met Héctor Stamponi wat resulteerde in een 5-tal composities. Francini’s composities werden door verschillende orkesten opgenomen waaronder dat van Miguel Caló.
‘Bajo un cielo de estrellas’ (V) Francisco Lomuto zang Fernando Díaz 1941 beluister
‘Junto a tu corazón’ José Garcia zang Alfredo Rojas 1942 beluister
‘Mañana iré temprano’ Miguel Caló zang Raúl Iriarte 1943 beluister
Hij wordt herinnerd als een belangrijk figuur die de Argentijnse tango heeft verrijkt met creatieve ideeën en doorgedreven muzikaliteit. Zijn nalatenschap leeft voort en blijft relevant.
Bandoneonspeler, orkestleider en componist. Geboren als Punturero, Armando Franciscus op 27 augustus 1917 (Zárate – prov. Buenos Aires). Overleden op 25 december 1983 (Buenos Aires).
Armando Pontier werd geboren in Zárate. Op zesjarige leeftijd leerde hij al gitaar maar had liever piano gespeeld. Zijn familie was niet rijk en kon er geen kopen. Op een dag kwam zijn vader in Buenos Aires en zag een tweedehands bandoneon te koop voor veertig peso’s. Die werd Armando’s mooiste verjaardagscadeau dat hij zich kon voorstellen. Na zes maanden les was zijn ziel verkocht.
Hij was nog geen twaalf jaar oud toen hij zijn debuut op een schoolfeest maakte in het Teatro Coliseo. Hij trad solo op en speelde er ‘El apache argentino’ dat hij kende van de platen van Juan Maglio die ze thuis hadden.
Armando volgde les in de conservatorium van Juan Ehlert [1] samen met Cristóbal Herreros [2], Enrique Francini en Héctor Stamponi [3]. Ze speelden alle vier in het orkest van Ehlert.
[1] – [3]
[1] Juan Elhert werd geboren als Hans Elhert (1901 Bremen, Duitsland – 1982 Argentinië), was een Duitse violist en componist die zich in Argentinië vestigde. Hij had een orkest en onderscheidde zich door de muziek voor meer dan zestig films te componeren. [2] Cristóbal Herreros (1909 Barcelona – 2002 Buenos Aires) was bandoneonspeler en orkestleider. [3] Héctor Stamponi (1916 Campana, prov. Buenos Aires – 1997 Buenos Aires) was pianist en componist van onder meer ‘El íltimo café’ en ‘Junto a tu corazón’.
Op aandringen van zijn tante begonnen de vier vrienden in 1939 te werken voor het radioprogramma La Matinée de Juan Manuel met Ana María Pugliese [4] in Buenos Aires. Tijdens een auditie hoorde Miguel Caló hen spelen en stelden hen meteen voor bij hem te komen werken. Armando vervulde toen zijn militaire dienst maar Caló beloofde voor hem een plaats te reserveren. Zo kwamen Pontier, Stamponi en Francini in een orkest waarin muzikanten als Domingo Federico en Osmar Maderna speelden.
‘Tabaco’ Miguel Caló canta Raúl Iriarte 1944 beluister
‘Margo’ Miguel Caló canta Raúl Iriarte 1945 beluister
[4]
[4] Ana María Pugliese (1923 Buenos Aires – 1990 id) was zangeres die in theater en enkele film optrad tot in 1947 toen ze trouwde. Ze werd eind jaren ’30 “La muñequita de la Casa Roy” gedoopt: Casa Roy was de sponsor van haar voorstellingen.
Enrique Francini
In 1945 verlieten Francini en Pontier het orkest van Caló om het orkest Francini-Pontier op te richten dat debuteerde op 1 september van dat jaar tijdens de opening van de mythische Tango Bar. Het orkest had tien jaar lang een groot succes en nam ongeveer honderdtwintig platen op. Ze speelden in de stijl van Caló en lieten zich inspireren door Aníbal Troilo. Alberto Podestá en Raúl Berón, bekend van bij Caló, Roberto Rufino, Julio Sosa en nog vele anderen wisselden elkaar als zanger af.
‘Margot’ Francini – Pontier canta Alberto Podesta 1948 beluister
Armando Pontier, zanger Mario Lagos, violist Enrique Francini en zanger Pablo Moreno.
Deze samenwerking bleef ongeveer tien jaar overeind. Ook op 1 september maar dan in 1955, debuteerde Armando Pontier alleen aan het hoofd van een orkest. Toen waren Julio Sosa en Roberto Florio zanger van dienst. Florio werd in 1956 door Oscar Ferrari opgevolgd. In de jaren ’60 kon Pontier nog grote namen strikken zoals Rufino, Podestá, Roberto Goyeneche en Jorge Durán.
‘Margot’ Armando Pontier canta Julio Sosa 1959 beluister
In 1963 vond een reünie plaats van ex-muzikanten van Caló, met onder meer pianist Trípodi, Francini, Federico en natuurlijk Pontier. Ook zangers Podestá en Berón waren van de partij. Caló musiceerde met hen onder de naam La Orquesta De Las Estrellas.
Er kwam in 1973 nog een samenwerking met Francini en zangeres Alba Solís [5].
Pontier maakte honderden opnames, al dan niet met Francini, tot eind jaren ’70.
‘Pecado’ Armando Pontier canta Alberto Podestá 1965 beluister
Op 25 december 1983, enkele uren nadat hij kerstavond met zijn familie had gevierd, maakte Armando Pontier, zwaar depressief, een einde aan zijn leven.
[5]
[5] Ángela Herminia Lamberti alias Alba Solis (1927 Buenos Aires – 2016 id) was zangeres en actrice. Ze stond bekend omwille van haar dramatische manier van zingen. Er zijn geen opnames met Pontier, luister hier naar Alba met het orkest van Osvaldo Tarantino.
Pontier verbleef in het beroemde pension Alegría [6] dat bevolkt was door jonge muzikanten uit verschillende steden uit de provincie. Hij vertelde in een intervieuw [7]:
“Was het een goede tijd? Ik denk van wel. Ik herinner me nog goed die fijne momenten toen ik in het pension aan de Salta 321 [6] verbleef, dat toevluchtsoord voor alle provinciale muzikanten [6] die later iets van betekenis werden in de muziekwereld. Het pension had een grote hal en rond drie of vier uur ’s nachts begon Emilio Barbato iets op de piano te spelen. Al snel kwamen er steeds meer muzikanten bij, totdat er een groot orkest was ontstaan. Na verloop van tijd kwam iedereen van buitenaf om naar ons te luisteren, omdat het nieuwsje in de buurt rondging”
[6] en [7]
[6] Pension ‘Alegría’ huisvestte verschillende geïnspireerde en virtuoze muzikanten onder meer Antonio Ríos, Alberto San Miguel, Argentino Galván, Carlos Parodi, Cristóbal Herreros, Enrique Francini, Enrique Munné, Ernesto Rossi (Tití), Federico Scorticati, Héctor Stamponi, Juan Carlos Howard en Julio Ahumada. Hier klonken dag en nacht de instrumenten van de bewoners tijdens lange uren van repeteren en voorbereiden. Er stonden drie piano’s in het huis. Meer op todotango (Spaans)
[7] Spaanse tekst: “¿Si fue una buena época? Pienso que sí. Aunque siempre recuerdo, aquellos gratos momentos cuando me alojaba en la pensión de la calle Salta 321, aquel fue el reducto de todos los músicos provincianos que, curiosamente, llegaron a ser algo dentro del ambiente. La pensión tenía un hall muy grande y, a eso de las tres o cuatro de la mañana, Emilio Barbato preludiaba algo en el piano. De pronto, se iban incorporando uno y otro hasta armarse una orquesta grande. Con el tiempo, todo el mundo venía de afuera a escucharnos, porque había trascendido.”
Helden
Aníbal Troilo was ongetwijfeld een van zijn helden. Toen Armando tijdens zijn legerdienst een dag vrij had, reisde hij naar de hoofdstad om zijn optredens bij te wonen. Hij sprak altijd bewonderend over Troilo en droeg de tango ‘Pichuco’ aan hem op. Op een dag kwam een vriend hem vertellen dat Troilo “Milongueando en el cuarenta” zou uitbrengen. Pontier werd bijna boos omdat hij het een flauwe grap vond. Troilo was voor hem zo een buitengewoon personage dat hij het amper kon geloven. Het werd een van de mooiste ervaringen die de tango hem bracht: een artiest die hij zo bewonderde had hem als componist erkend.
‘Milongueando en el cuarenta’ Aníbal Troilo 1941 beluister
Elvino Vardaro [8] was een violist die hem eveneens hoog aansloeg. Pontier was gek op Vardaro’s manier van spelen en spreken, zeer gevoelig. Als jongeling had hij hem een brief met het verzoek om een foto geschreven. Die kreeg toen een ereplaats.
[8]
[8] Elvino Vardaro (1905 Buenos Aires – 1971 Córdoba Arg.) was een violist en componeerde een zevental tango’s. Hij speelde bij verscheidene orkesten onder meer dat van Juan Maglio en Roberto Firpo. Hij richtte met Osvaldo Pugliese het Sexteto Vardaro-Pugliese op.
Zijn visie
In een interview vertelde hij het volgende [9]:
“Vergeleken met wat vandaag gebeurt, in 1979 zou ik niet zeggen dat in de jaren veertig de orkesten beter of slechter waren. Maar er was iets dat de ensembles van vandaag niet hebben, en dat is persoonlijkheid. Vandaag kun je aan de radio niet horen welk orkest er speelt. Niemand durft te zeggen: dit is van mij, ik heb het gecreëerd, het is nieuw. Iedereen volgt de herhaalde normen. De laatste die zich ten dienste stelde van de tango en die talent en persoonlijkheid heeft, is Astor Piazzolla. Maar na hem is er niemand meer.”
[9]
“Comparando con lo que pasa hoy, en 1979. Yo no podría decir que en el cuarenta hubo orquestas mejores ni peores. Pero hubo algo que los conjuntos de hoy no tienen, y que es la personalidad. Hoy no se puede distinguir, por la radio que orquesta está tocando. Nadie se atreve a decir esto es mío, lo he creado yo, es nuevo. Todos siguen los cánones repetidos. El último que se puso al servicio del tango y que tiene talento y personalidad es Astor Piazzolla. Pero después de él nadie.”
Pontier behoort tot een generatie die de tango nieuw leven inblies met een goed geharmoniseerde structuur en originele melodieën, soms eenvoudig soms melodieus. Als bandoneonspeler en componist heeft hij mee de stijl van Caló bepaald: ‘Corazón no le hagas caso’ , ‘Margo’ , ‘Tabaco’ … kwamen al uit toen Pontier nog bij Caló speelde.
Met de jaren werden zijn composities gecompliceerder, hij liet zich inspireren door onder meer Troilo die verschillende van zijn werken uitvoerde. In 1969 nam Pichuco samen met “Polaco” Goyeneche de nummers van Nuestro Buenos Aires op, een groep nummers die Pontier samen met Federico Silva had gemaakt. Samen met deze dichter componeerde hij ‘Qué falta que me hacés’ uiteindelijk zo’n 300 opnames van artiesten uit de hele wereld zou opleveren.
‘Margo’ Aníbal Troilo canta Alberto Marino 1945 beluister
‘El milagro’ Francini – Pontier canta Alberto Podestá 1946 beluister
Nélida Federico werd in Buenos Aires in een muzikale familie geboren. Het gezin verhuisde naar Carmen de Patagones [1], maar keerde later naar Buenos Aires terug omdat de vader ernstig ziek werd. Van kindsbeen af werd ze ondergedompeld in muziek. Haar vader, Francisco [2] was violist en beroepsmuzikant en haar vier jaar oudere broer Domingo Federico speelde bandoneon. Toen ze zes was, leerde ze piano maar door haar broer bandoneon te zien spelen begon ze zelf ook het instrument te hanteren.
Terug in Buenos Aires moesten Nélida en haar broer na schooltijd de kost verdienen. Tegen hun ouders zeiden ze dat ze in een theehuisje werkten maar in werkelijkheid traden ze in tavernes en dansgelegenheden op. Nélida zong en Domingo speelde bandoneon.
Op een dag bood Domingo haar aan om een tango te leren spelen op bandoneon en ze zei: “Hoe moet ik spelen als ik de partituur niet ken…”. Maar hij drong aan. En in anderhalf uur leerde hij Nélida ‘Zorro gris’ [3] spelen. Ze toonde het haar vader en die zei: “Dit meisje moet men bandoneon laten spelen”. De volgende dag begon Nélida serieus te oefenen.
In het spoor van Paquita Bernardo en Fermina Magistany [5] is ze een van de getalenteerde vrouwen die in de jaren ’20 het aandurfde om bandoneon te spelen. Dat instrument bleef lang voor vrouwen ongepast geacht omdat men daarvoor de benen moest openen en sluiten.
[1] – [4]
[1] Carmen de Patagones of kortweg Patagones is de meest zuidelijke stad van de provincie Buenos Aires op zo’n 900 km ten zuidoosten van de hoofdstad. [2] Francisco Federico (overleden in 1975) was muziekleraar, speelde verschillende instrumenten en componeerde een tiental tango’s onder meer ‘Saludos’ samen met zoon Domingo en ‘A Martín Fierro’. [3] ‘Zorro gris’ tango (1921) van Rafael Tuegols en Francisco García Giménez. [4] Fermina Magistany (1897 Las Flores, prov. Buenos aires – 1985) was muzikale duizendpoot en had een eigen orkest. Ze begeleidde Paquita Bernardo verschillende keren op piano. Ze speelde ook bij grote namen als De Caro, Canaro, Firpo en Laurenz.
Samen met met haar broer Domingo vormde Nélida, toen 10 jaar oud het Duo Federico. Eerst zong ze en speelde hij bandoneon maar algauw vormde ze een bandoneonduo. Ze traden in theaters, bioscopen en cafés op, ook buiten Buenos Aires.
“We deden wat men variété noemt, hebben lang in het oude Teatro San Martín gestaan. We gingen voor een week en bleven uiteindelijk drie maanden en hadden veel succes omdat het iets heel bijzonders was”, herinnerde ze zich in een intervieuw [5]. Hun bandoneonoptreden kwam vaak na dat van bekende orkesten. Dit contrast werd de basis van hun succes. “Op een keer had mijn broer een afspraak, hij kon niet komen en zei dat ik alleen moest spelen. Je weet wel, ik, een klein meisje met een kort rokje en mijn beentjes bij elkaar… De belangrijke orkesten van die tijd waren net klaar met spelen en plotseling ging het gordijn open en stond ik daar helemaal alleen. Mijn broer hoorde het op de radio en zei dat het goed was gegaan”.
“Er waren toen twee dingen die ze over mij zeiden. Eerst: ‘De jongen speelt, het meisje niet’. En daarna: ‘Het meisje speelt enkel op gehoor en kijkt nooit naar de partituur’. Op een dag ging mijn broer van het podium af om met een paar vrienden te praten en liet mij alleen verder spelen. Toen hij bij de tafel van zijn vrienden aankwam, was het eerste dat ze zeiden: ‘Hé, maar het meisje speelt ook…’. Dat deed hij met opzet omdat hij wist wat de mensen dachten”, vertelt Nélida.
Ze werd nooit veroordeeld omdat ze als vrouw een zogenaamd ‘mannelijk’ instrument bespeelde. Nélida werd een attractie voor het publiek, eerst omdat ze een meisje was maar later omwille van haar stijl en talent. Ze kreeg complimenten en bloemen van bewonderaars. Of zoals ze zelf zei: “Het publiek wordt veroverd met kwaliteit”.
Toen Nélida veertien was, richtte Domingo een orkest met uitsluitend jonge dames op, voor tijd ongebruikelijk, waarin ze bandoneon speelde. Al op haar 17 jaar kreeg Nélida de leiding over het orkest omdat haar broer zijn eigen weg ging. Dat hield ze een tijdje vol maar temperamentvol als ze was, trad ze ook solo op: “Als je in een orkest speelt, moet je je temperament opzij zetten. Je moet altijd hetzelfde spelen zodat het orkest goed klinkt”.
Buiten muziek tekende en schilderde Nélida met succes. Tussen 1936 en 1940 zelfs intensief maar weinig werk is uit die periode bewaard gebleven.
In 1946, vijfentwintig jaar oud liet ze alles vallen en trouwde ze met Adelmo Panini. Ze zei de kunst vaarwel om haar kinderen groot te brengen. Na 20 jaar hevatte ze haar kunstactiviteiten. Zoals ze zelf zei: “Ik ben een voorbeeld voor vrouwen die vinden of zeggen dat ze door te trouwen alles hebben verloren. Nee. Wie wil, kan terugkomen. In 1967 ben ik weer begonnen met schilderen.” Ze werd bekend om haar olieverfschilderijen. Haar werk werd vaak tentoongesteld en ze won ook prijzen en sleepte speciale vermeldingen in de wacht.
Op oudere leeftijd hervatte Nélida haar muzikale carrière daarin volop gesteund door haar familie. Ze trad weer in theaters en voor de radio en verscheen ze op televisie Op 80-jarige leeftijd nam ze haar eerste en enige album op. Haar laatste recital gaf ze op haar 86ste in de Academia Porteña del Lunfardo. Ze overleed in 2007, op 87-jarige leeftijd.
Paquita Bernardo werd geboren in de wijk Palermo en was dochter van Spaanse migranten María Jiménez en José Bernardo. De kroostrijke familie verhuisde nog voor ze naar de lagere school ging naar de wijk Villa Crespo.
Als tiener ging Paquita piano leren in het conservatorium. Daar ontmoette ze een jonge bandoneonist José Servidio [1] die indruk op haar maakte. In die tijd mochten vrouwen alleen gitaar of piano spelen en geen bandoneon omdat je daarvoor je benen moet openen en sluiten. Door Servidio kon ze in het geheim oefenen maar later overtuigde ze haar vader van haar kunnen. Haar leeftijdsgenoot bandoneonvirtuoos Pedro Maffia gaf haar ook les.
Volgens de meeste bronnen was zij de allereerste vrouwelijke professionele bandoneonist.
[1]
[1] José Servidio alias Balija (1900 Buenos Aires – 1969 id) was bandoneonist en componist. Hij speelde ondermeer bij Juan Maglio, Francisco Canaro en Osvaldo Fresedo. Hij richtte zelf een orkest op.
Paquita Bernardo wier talent zo overduidelijk was, speelde tijdens haar tienerjaren bij verschillende bands in de clubs van Buenos Aires en stond bekend om haar levendige tangospel in echte porteño-stijl.
In 1921 richtte ze een sextet op. Haar broer Arturo zat aan de drums en de jonge Osvaldo Pugliese aan de piano. Violisten van dienst waren Alcides Palavecino en Elvino Vardaro. Het sextet was kind aan huis in Bar Dominguez in de Calle Corrientes en al snel moest het verkeer worden omgeleid vanwege de grote menigte die buiten stond te wachten. Niet alleen omwille van haar vrouw zijn maar omdat ze het instrument zo indrukwekkend beheerste, bracht zoveel volk op de been. In 1923 trad ze tijdens een Grand Fiesta de Tango in het Teatro Coliseo op. Op dit evenement speelden honderden bekende muzikanten en Bernardo was de enige vrouw op het programma. Ze speelde in bars en danszalen en op de radio in Montevideo en Buenos Aires.
Bernardo ging haar eigen weg en overtrad de sociale geplogenheden van die tijd. Ze weigerde niet alleen het keukenschort dat in haar familie traditioneel werd doorgegeven aan de jongere zus zodra die oud genoeg was. Zo kreeg een aanbidder die een aanzoek deed te horen dat ze al getrouwd was met de bandoneon. Als bandoneoniste effende Bernardo het pad voor andere vrouwen zoals Nélida Federico, Eva Méndez en Carl Algeri. Als arbeidster in een kousenfabriek voerde ze ook een felle strijd voor gelijke rechten.
In de herfst van 1925 liep ze een verkoudheid op met complicaties die haar fataal werden. Ze werd net geen 25. Spijtig genoeg liet ze geen opnames na wel enkele composities die door Carlos Gardel werden vereeuwigd.
Bandoneonspeler, orkestleider, componist, filmacteur en docent. Geboren als Federico, Domingo Serafín op 4 juni 1916 (Buenos Aires). Overleden op 6 april 2000 (Rosario).
Domingo Federico werd in 1916 geboren in Buenos Aires maar de familie verhuisde naar Carmen de Patagones [1]. Zijn vader Francisco was violist en leerde op zeker moment bandoneon. Domingo leerde beide door naar zijn vader te kijken en volgde ook nog pianoles bij Theo Sun, een muziekleraar van Japanse afkomst. De bandoneon sprak hem het meest aan en zijn vader gaf hem de eerste lessen.
Vader werd ziek en de familie keerde terug naar Buenos Aires. Domingo begon aan de middelbare school en bleef met veel doorzettingsvermogen op eigen houtje bandoneon studeren. Domingo en zijn zus Nélida Federico moesten na schooltijd de kost verdienen. Ze zeiden tegen hun ouders dat ze in een theehuisje werkten. In werkelijkheid gingen ze in tavernes en dansgelegenheden optreden. Nélida zong en Domingo speelde bandoneon.
Tijdens zijn doctersstudie besloot hij zich te perfectioneren aan het conservatorium van Pedro Maffia en Sebastián Piana. Piana instrueerde hem verder in notenleer en Maffia perfectioneerde zijn bandoneonwerk. Zelf gaf hij zijn kennis in het bandoneonspelen door aan zijn zus.
[1]
[1] Carmen de Patagones of kortweg Patagones is de meest zuidelijke stad van de provincie Buenos Aires op zo’n 900 km ten zuidoosten van de hoofdstad.
Domingo was pas vijftien jaar toen broer en zus optraden in het Teatro San Martín. In de loop der jaren leidde hij een “Orquesta de Señoritas” – wat voor die tijd ongewoon was – waarin ook zijn zuster Nélida bandoneon speelde. Zijn enthousiasme voor de tango en de positieve reacties van het publiek zorgden ervoor dat hij zijn universitaire studie opgaf om zich volledig aan de muziek te wijden.
Hij speelde bij de orkest van onder meer Ricardo Brignolo [2] en Juan Canaro [3]. Juan’s broer Francisco Canaro [4] was goed bevriend met Federico die zich stoorde dat anderen Canaro ervan beschuldigden zijn composities voor een habbekrats af te kopen.
In 1939 trad hij toe als eerste bandoneonist tot het orkest van Miguel Caló, die zelf de bandoneon wisselde voor het dirigeerwerk. Hij speelde er samen met violist Enrique Francini, bandoneonist Armando Pontier en pianist Osmar Maderna.
[2] – [4]
[2] Ricardo Luis Brignolo alias La Nena (1892 Buenos Aires – 1954 id) was pianist, bandoneonist en componist. Hij schreef ook enkele teksten onder meer van de tango ‘Chiqué‘ [3] Juan Canaro alias Macaco (1892 San José, Urugguay – 1977 Mar del Plata, prov. Buenos Aires) was bandoneonist, orkestleider en componist. Zijn broers Francisco en Rafael waren ook orkestleiders. [4] Francisco Canaro (1888 San José, Uruguay – 1964 Buenos Aires) was violist, orkestleider en componist. Meer in ons artikel.
Op 16 juni 1943 maakte hij zijn debuut met de zangers Alberto Tagle en Alberto Castel. In april 1944 kwam zijn eerste plaat uit met de nummers ’Saludos’ en ‘La culpa tuve yo’ met zang van Ignacio Díaz die dat jaar ziek werd en er maar één opname met hem is. Domingo werkte daarna met de zangers Carlos Vidal en Oscar Larroca tot eind jaren ’40. Er volgen nog andere zangers en het orkest nam een honderdtal nummers op.
‘Cosas del Amor’ canta Carlos Vidal en Oscar Larroca 1948 beluister
Domingo Federico was ook filmacteur en werkte als muzikaal regisseur aan verschillende films. Zijn orkest speelde er dan ook regelmatig in.
Domingo Federico, Carlos Vidal en Oscar Larroca tijdens de opname van de film Otra Cosa es con Guitarra 1949
In 1957 vestigde hij zich in Rosario [5] en stelde een groot orkest samen met uitstekende musici met de vocalisten Rubén Sánchez en Rubén Maciel.
‘Yo tengo un pecado nuevo’ cantan Sánchez y Maciel 1960 beluister
Federico trad ook op met het ‘Trío Saludos’, op radio en televisie, op bals en in theaters en in muzikale komedies.
Hij maakte 45 tournees door Argentinië en Latijns-Amerikaanse landen. Hij deed 120 recitals in Japan, als bandoneonist van het orkest Francisco Canaro in 1961 en als leider van het kwintet ‘A lo Pirincho’. In 1962 bracht Caló zijn oud orkest terug samen met onder meer Francini, Pontier en zangers Berón en Podestá onder de naam La Orquesta de las Estrellas voor radio-optredens en opnames. Toen ging Federico’s ‘En la calle’ in première.
Tot zeer kort voor zijn dood, op 83-jarige leeftijd, leidde hij zijn universitaire bandoneon-leerstoel in Rosario, de eerste ter wereld. Hij maakte nog opnamen met het Orquesta Juvenil de Tango van de Universidad Nacional de Rosario, dat hij in 1994 had opgericht. In 1999 nam hij het Orquesta Juvenil de la UNR mee naar Europa, op tournee door Duitsland, Nederland en Zwitserland.
‘Al gran Olmedo’ Orquesta Juvenil de Tango de la U.N.R. canta Carlos Calcagno 1994 beluister
[5]
[5] Rosario: 3de grootste stad van Argentinië in de provincie Santa Fé dat op zich ten westen van Uruguay ligt.
Federico was net tot het ensemble van Miguel Caló toegetreden en liet zijn nieuwe compositie ‘Al compás del corazón’ aan zijn collega’s horen. De muzikanten wilden het graag spelen maar de zangers Raúl Berón en Alberto Podestá twijfelden omdat ze de tekst nog niet goed kenden. Toch besloten ze het te spelen op een middag in het café waar Caló meestal niet present was of later kwam. Omdat de zangers het niet wilden zingen, besloot de violist Enrique Francini het te doen. Zo vond het geïmproviseerde debuut van deze tango plaats. Het publiek wilde het nog eens horen. Caló wist toen nog van niets maar nam het later op in zijn repertoire.
Visie
Over de jaren 40 vertelt Federico zelf [6]:
“In die jaren waren er drie soorten publiek. Een groep die kwam luisteren en een groep dansers, in verhoudingen die varieerden naargelang de kenmerken van het orkest. In ons geval was het gelijk verdeeld. En een alomtegenwoordige groep: de moeders. De moeders vormden een cordon rond de dansvloer, dat het meest zichtbaar was in de buurtclubs en minder in de grote zalen, maar altijd aanwezig was. Ze hielden de boel in de gaten. Grappig: als je bij het verlaten van de danszaal een meisje ook maar een haar raakte, werd je afgemaakt; maar als je danste, mocht je haar mee naar huis nemen.”
[6]
[6] “En esos años había tres tipos de público. Un sector que venía a escuchar y otro sector de bailarines, en proporciones que variaban de acuerdo con las características de la orquesta, en nuestro caso la cosa era repartida. Y un sector universal: las madres. Las madres eran un cordón que rodeaba el baile, más visible en los clubes de barrio y más diluido en los grandes salones, pero siempre presente. Estaban de custodia. Qué cómico: si a la salida del baile, uno le rozaba un pelo a una chica, te mataban; y resulta que, bailando, te la podías llevar hasta la casa”.
Domingo componeerde een 25-tal tango’s. Hij kende Homero Expósito en samen schreven ze ‘Percal’ , ‘Yo soy el tango’ en ‘Yuyo verde’. Veel van zijn composities werden eerst door andere orkesten opgenomen zoals dat van Aníbal Troilo en natuurlijk Miguel Caló waar hij zelf muzikant was.
‘Yo soy el tango’ Aníbal Troilo canta Francisco Fiorentino 1941 beluister
‘Percal’ Miguel Caló canta Alberto Podestá 1943 beluister
Lijst composities Domingo Federico op volgende bladzijde.
Bandoneonspeler, orkestleider en componist. Geboren 8 maart 1901, Rodríguez, Enrique Aquilino. Pseudoniem: Luis María Meca. Overleden 4 september 1971.
Enrique Rodríguez begon zijn carrière als bandoneonspeler samen met een pianist in de bioscoop. Hij zou wat men later het orquesta de todos los ritmos noemde, oprichten, tot genoegen van de enen en ongenoegen van de anderen. Rodríguez werd zowel populair in zijn thuisland als in de rest van Zuid-Amerika.
Hij speelde ook in kleine ensembles voor de radio en sporadisch voor onder meer Juan Maglio, Juan Canaro en Ricardo Brignolo.
In 1926 trad hij in het sexteto van Joaquín Mora op. Via via kwam hij voor korte tijd bij Edgardo Donato terecht die hem sterk beïnvloedde. In 1934 begeleidde hij met een trio Francisco Fiorentino (zanger) op Radio Belgrano. Een jaar later vormde hij een kwartet met pianist Lalo Scalise, bandoneonspeler Gabriel Clausi en violist Antonio Rodio, als begeleiding van actrice en zangeres María Luisa Notar [1] met wie hij even later trouwde.
[1]
María Luisa Notar geboren in 1898 (Buenos Aires) overleden in 1968 aldaar, was actrice en zangeres. Ze was vooral actief in het theater en later ook in films
Enrique Rodríguez richtte in 1936 zijn eigen orkest op. Een jaar later nam hij Roberto Flores [2] alias ‘El Chato’ aan als zanger onder de arm.
Zijn optredens hadden een gevariëerd repertoire met tango’s, walsen, milonga’s, foxtrots, pasodobles, polka’s en ranchera’s. Men noemde het uiteindelijk “la orquesta de todos los ritmos”. Hij introduceerde blaasinstrumenten en liet vrolijke of romantische nummers aan bod komen die het publiek met enthousiasme ontving. Dat betekende dat hij een manier had gevonden om op talloze feesten zonder tussenkomst van jazz- of tropische orkesten te spelen wat toem vaak de gewoonte was.
De tangouitvoeringen waren traditioneel, ritmisch en speels zoals die van Edgardo Donato en Juan D’Arienzo. Zijn muziek is eenvoudig en toegankelijk maar toch kwalitatief met goede zangers. Dit alles maakt de dansers gelukkig.
‘La colegiala’ (FOX TROT) canta Roberto Flores 1938 beluister ‘Pues quién lo tiene’ (RANCHERA) canta Roberto Flores 1938 beluister ‘A la huacachina’ (PASO DOBLE) canta Roberto Flores 1938 beluister ‘Tengo mil novios’ (V) canta Roberto Flores 1939 beluister
Let even op dit fragmentje uit ‘Tengo mil novias’
Me gustan todas (coro) Le gustan todas. Que voy a hacerle si soy picaflor... Rubias... Morenas... (coro) Tiene centenas... Tengo un surtido de todo color... Tengo mil novias. (coro) Tiene mil novias. De los amores yo soy el campeón. Muchas novias hermosas yo tengo. (coro) Él las tiene en la imaginación.
Ik vind ze allemaal leuk hij vindt ze allemaal leuk (koor) kan ik eraan doen dat ik rokkenjager ben… blondjes… brunettes… hij heeft er honderden…(koor) Ik heb er diversen in alle kleuren… Ik heb duizend liefjes Hij heeft duizend liefjes (koor) In de liefde ben ik de kampioen Veel mooie meisjes heb ik Hij heeft ze in zijn verbeelding (koor)
Het verhaal wil dat toen Rodríguez deze wals op de markt bracht, hij O.L.Vrouw van Luján een miniatuur zilveren bandoneon beloofde als het nummer een succes werd. Hij zou zijn belofte hebben gehouden. Volgens een leerjongen bij een juwelier werd de miniatuur gemaakt. De foto van dit juweel is nog steeds te zien in de winkel in de Calle Uruguay.
[2]
[2]Roberto Flores geboren als Patti, Domingo in 1907 (Buenos Aires) en overleden in 1981 (Medellín, Colombia). Hij was zanger en componeerde een 5-tal tango’s waaronder ‘Tristeza Marinero’ samen met José Dames. Hij acteerde nog in een film en ging solo. Zijn bijnaam was El Chato.
Rodríguez nam met ‘El Chato’ 35 nummers op maar de meest representatieve zanger was Armando Moreno [3] of ‘El niño’ waarmee een 200-tal opnames werden gemaakt. Ze maakten verschillende tournees door Amerika. In Colombia werden ze verafgood. In 1965 traden ze met succes op in Peru, samen met Raúl Iriarte die bij Miguel Caló zong in de jaren ’40.
‘Clavelito chino’ (CORRIDO) canta Armando Moreno 1942 beluister ‘Concierto en el parque’ (FOX TROT) canta Armando Moreno 1940 beluister ‘Los años no curan penas’ (M) canta Armando Moreno 1940 beluister ‘Que lo sepa el mundo entero’ canta Armando Moreno 1943 beluister
Enrique Rodríguez was een muzikale duizendpoot. Hij speelde naast bandoneon nog piano en viool. Soms hanteerde hij de dirigeerstok. Hij bewerkte klassieke en populaire melodieën uit verschillende landen zonder de essentie van het ritme weg te nemen. Die veelzijdigheid garandeerde zijn internationaal succes.
[3]
[3] Armando Moreno geboren als Bassi, Armando in 1921 (Arg) en overleden in 1990 (Bogotá) was een tangozanger. Hij zong vooral bij Enrique Rodríguez maar ook bij Alfredo Attadía en Domingo Federico.
In 1944 wou Enrique de stijl van zijn orkest vernieuwen. Pianist Armando Cupo [4] en Cellist-contrabassist Roberto Garza [5] werden als arrangeurs aangetrokken. Ze speelden andere tango’s zoals ‘Naranjo en flor’ , ‘La vi llegar’ , ‘Así nació este tango’ en ‘El africano’.
Het publiek smaakte de verandering niet en beide heren konden vertrekken. Rodriguez keerde terug naar de oude stijl voor de rest van zijn carriére. Roberto Garza en Armando Moreno gingen samenwerken en dit luidde het einde in van Rodriguez – Moreno, alhoewel.
Nog andere zangers werkten met Rodriguez: Ricardo Herrera, Fernando Reyes, Omar Quirós, Roberto Videla, José Torres, Oscar Galán, Ernesto Falcón, Cruz Montenegro en Dorita Zárate. Maar het is ongetwijfeld Armando Moreno die zijn sporen naliet, hij kwam dan ook in 1951 en 1958 even terug.
‘Lagrimitas de mi corazón’ (V) canta Fernando Reyes 1947 beluister ’Te quiero igual’ canta José Torres 1949 beluister ’Sonia’ (FOX TROT) canta Armando Moreno 1959 beluister ‘Zorzal‘ (M) canta Dorita Zaráte 1969 beluister ‘El Guardian’ (V) canta Osvaldo Cruz Montenegro 1970 beluister
In 1966 begon hij zich op aanraden van zijn platenmaatschappij te presenteren als “Enrique Rodríguez y su orquesta de todos los ritmos”, waarmee hij in de ogen van sommige puristische tangofans het oordeel bekrachtigde dat hij een aanslag op het genre was.
[4] – [5]
[4] Armando Cupo geboren 1921 (Buenos Aires) en er overleden 1990 was muzikant, arrangeur, orkestleider en componeerde enkele tango’s. Hij stichtte mee het Sexteto Mayor. [5] Roberto Garza geboren als García López, José geboren 1912 (Buenos Aires) en overleden 1981 was een bandoneonspeler en componeerde 7 tango’s waaronder ‘No te apures Carablanca’ , ‘Soledad de las Barracas’ en ‘Sosiego en la noche’.
Hij componeerde een 70-tal nummers zoals ‘Amigos de ayer’ , ‘En la buena y en la mala’ , ‘Iré’ , ‘Lagrimitas de mi corazón’ , ‘Llorar por una mujer’ , ‘Son cosas del bandoneón’ , ‘ Yo también tuve un cariño’ en ‘Tengo mil novias’ – wat een van zijn grootste successen was – allemaal met teksten van Enrique Cadícamo. Verder nog ‘Adiós, adiós amor’ , ‘Cómo has cambiado pebeta’ , ‘Flor de lis’ en ‘Sandía’ .
’Son cosas del bandoneón’ canta Roberto Flores 1939 beluister ‘Iré’ canta Armando Moreno 1943 beluister ‘Lagrimitas de mi corazón’ canta Fernando Reyes 1947 beluister ‘Llorar por una mujer’ canta Armando Moreno 1941 beluister
Uitgebreide lijst met composities op volgende pagina
Miguel Caló was de zoon van Natalicia Pantano y José Caló. Zijn broers Juan, Francisco (Roberto), Salvador, Antonio en Armando waren ook musici.
Miguel Caló vormde zijn eerste orkest in 1928 dat hij niet lang erna opdoekte om met het orkest van Cátulo Castillo in Spanje te gaan toeren. Terug in Buenos Aires richtte hij een nieuw orkest op dat hij vervolgens verliet om met Osvaldo Fresedo naar de Verenigde Staten te trekken.
Miguel Caló ging in 1934 van start met wat later “La orquesta de las estrellas” zou heten. Zijn stijl is beïnvloed door Osvaldo Fresedo met wie hij een tijdje samenwerkte en Miguel Nijensohn die op piano de muzikale frasen aaneenreeg en een ideaal ritme voor de dansers aanhield.
Dirigent Caló kon een groep jonge virtuoze artiesten bij elkaar krijgen. De meesten vormden uiteindelijk hun eigen ensembles. Niet voor niets is dit “La orquesta de las estrellas”. Laten we even de sterren aan bod komen die de revue passeerden.
Carlos Dante
Miguel Caló debuteerde op plaat begin jaren ’30 met twee nummers met de voor ons onbekende zanger Roman Prince [1]. Van 1934 tot 1936 kwamen 18 nummers met zanger Carlos Dante [2] op plaat uit. Dante debuteerde bij Francisco Pracánico. De eerste platen met Dante als zanger werden in 1928 met Juan D’Arienzo opgenomen, hij passeerde ook nog bij Rafael en Francisco Canaro. Daarna zong hij tot 1936 voor Caló. Na een lange pauze had hij vanaf 1944 succes bij Alfredo De Angelis.
‘Milonga Porteña’ (M) canta Román Prince 1932 beluister
‘Caballo de callecita’ canta Carlos Dante 1936 beluister
[1] en [2]
[1] Román Prince: geboren 3 mei 1900 (Buenos Aires) als Principato, Ramón – overleden 24 juli 1968. [2] Carlos Dante met als achternaam Testori, geboren 12 maart 1906 (Buenos Aires) – overleden 28 april 1985. Hij werd als zanger vooral bekend bij Alfredo de Angelis en componeerde een 5-tal nummers.
Alberto Podestá en Raúl Berón
Eind jaren ’30 bracht Caló enkele platen met zangers Alberto Morel en zijn broer Roberto Caló [3] uit. Miguel had toen een toporkest opgebouwd en nam de jonge zangers Alberto Podestá [4] en Raúl Berón [5] onder de arm. Beide heren debuteerden op plaat bij Caló en zouden later nog veel succes kennen. Alberto Podestá verliet het orkest om bij Carlos Di Sarli te gaan zingen maar zal nog enkele keren terugkeren. Hij zong ook nog voor Pedro Laurenz, Enrique Francini, Armando Pontier en vele anderen.
En dan hebben we Raúl Berón die oorspronkelijk folkloristische liedjes zong en die de directie van het radiostation waar Caló speelde, wilde ontslaan in 1942. Maar op dat moment was de plaat met ‘Al compás del corazón’ en ‘El vals soñador’ zo succesvol dat ze van mening veranderde. Berón ging in 1943 bij Lucio Demare zingen , echter met minder succes en keerde verschillende keren naar Caló terug. Hij maakte nog carrière bij Francini-Pontier en grootmeester Aníbal Troilo.
‘Luces del puerto’ (Fox Trot) canta Roberto Caló 1938 beluister
‘Bajo un cielo de estrellas’ (V) canta Alberto Podestá 1941 beluister
‘Al compás del corazón’ canta Raúl Berón 1942 beluister
[3] – [5]
[3] Roberto Caló: geboren 26 april 1913 (Buenos Aires) als Caló, Francisco – overleden 26 april 1985 was pianist, orkestleider, zanger en acteur. Hij componeerde een 5-tal nummers. [4] Alberto Podestá: geboren 22 september 1924 (San Juan, Arg.) als Alé, Alejandro Washington – overleden 9 december 2015, was zanger. [5] Raúl Berón: geboren 30 maart 1920 (Buenos Aires) – overleden 28 juni 1982 was zanger.
Raúl Iriarte
Jorge Ortiz [6], later de kenmerkende zanger van Rodolfo Biagi, verving Berón en kreeg Podestá aan zijn zijde. Toen deze laatste vertrok prees tekstschrijver Oscar Rubens zanger Raúl Iriarte [7] aan en in 1943 ging hij zingen bij Caló. De combinatie Caló – Iriarte pakte het publiek in met nummers als ‘Mañana iré temprano’ en ‘Cada día te extraño más’.
‘Cada día te extraño más’ canta Raúl Iriarte 1943 beluister
[6] en [7]
[6] Jorge Ortiz: geboren 18 september 1912 (Buenos Aires) als Alessio, Juan Edelmiro – overleden 18 februari 1989, was zanger. [7] Raúl Iriarte: geboren 15 oktober 1916 (Buenos Aires) als Fiorentino, Rafael – overleden 24 augustus 1982, was zanger.
De muzikanten
Het succes was mede te danken aan topmuzikanten zoals violisten Enrique Francini , Aquiles Aguilar, Antonio Bogas en Mario Lalli, bandoneonisten Domingo Federico, Armando Pontier, José Cambareri en Felipe Richiardi, pianist Osmar Maderna en contrabassist, broer van Miguel, Armando Caló. Miguel zelf begon in 1939 hoofdzakelijk als dirigent. Het orkest moest niet onderdoen voor dat van Troilo, Di Sarli of D’Arienzo. Luister maar eens naar volgend pareltje.
‘Ya sale el tren’ canta Jorge Ortiz 1943 beluister
Domingo Federico was leerling van Pedro Maffia en speelde vóór 1940 bij verschillende formaties van onder meer Carlos Di Sarli. Hij begon in 1943 met een eigen orkest en gaf later bandoneonles.
Enrique Francini, Armando Pontier en Héctor Stamponi [8] waren studiegenoten die samen voor de radio speelden. Ze belandden alle drie bij Caló. Francini en Pontier verlieten eind 1945 het orkest om samen hun eigen groep te leiden. Deze heren visten Podestá en Berón op. Héctor Stamponi vertrok al in 1939.
Osmar Maderna werd de nieuwe pianist. Door zijn speelse muziekspel kreeg Maderna de bijnaam ‘El Chopin Del Tango’. Zijn talent als pianist en arrangeur leidde mee tot het succes van het orkest en gaf het ensemble het karakter dat het voor altijd zou typeren. In 1946 begon Maderna met een eigen orkest.
[8]
[8] Héctor Luciano Stamponi alias Chupita geboren 1916 (BA) – overleden 1997 (BA) was pianist, orkestleider, componist en arrangeur.
Een nieuw orkest
Op korte tijd vertrokken de belangrijkste muzikanten zodat Caló een nieuw orkest moest oprichten. Miguel Nijensohn die mee aan de wieg van het oorspronkelijk orkest lag, keerde terug als pianist en arrangeur. Iriarte bleef zanger tot 1947 en kreeg onder meer Roberto Arrieta [9] aan zijn zijde.
In 1961 zorgde Caló voor een reünie met zangers Raúl Berón en Alberto Podestá, bandoneonisten Armando Pontier en Domingo Federico en violist Enrique Francini. Versterkt door violist Hugo Baralis en pianist Orlando Trípodi werkten ze onder de naam “Miguel Caló y su Orquesta de las Estrellas”. Ze traden op voor Radio El Mundo en brachten in 1963 een LP met 12 nummers uit.
‘Que falta que me hacés’ canta Alberto Podestá 1963 beluister
[9]
[9] Roberto Arrieta geboren Arrieta, Pedro Rosa 1915 (Rosario prov. Santa Fe) – overleden 1978 (BA) was zanger.
Miguel Caló was geen uitmuntend componist maar werkte samen met muzikanten Miguel Nijensohn en Osmar Maderna. ‘Jamás retornarás’ en ‘Qué te importa que te llore’ met de stem van Raúl Berón zijn pareltjes. De tango ‘Dos fracasos’ en de milonga ‘Cóbrate y dame el vuelto’ waren ook erg populair. Francisco Canaro nam ‘Copa de amargura’ twee keer in één dag op, een met Félix Gutiérrez en een andere met Ada Falcón. Caló zelf zette het niet op plaat.
‘Copa de amargura’ tekst Enrique Maroni:
Francisco Canaro canta Félix Gutiérrez 1932-09-23 beluister
Bandoneonspeler, componist en orkestleider. Geboren 5 mei 1897 Fresedo, Osvaldo Nicolás (Buenos Aires) – bijnaam: El Pibe de La Paternal. Overleden 18 november 1984 (Martínez, prov. Buenos Aires).
Osvaldo Fresedo was de zoon van Clotilde García en Nicolas Fresedo, een welstellend commersant. Zijn moeder gaf hem de eerste muziek- en pianolessen hopend dat hij klassieke muziek ging spelen. Alhoewel ze rijk waren, ging de familie op Osvaldo’s tiende in de wijk La Paternal, een eenvoudige volkswijk wonen. Daar raakte hij gepassioneerd door de bandoneon en leerde het instrument bespelen. Hij zou later een heel traject afleggen en voor meer dan 1250 opnamen gespreid over 63 jaren instaan.
In 1912 maakte hij zijn debuut in korte broek, samen met zijn oudere broer, violist Emilio en een gitarist. Ze traden op feestjes en in café’s in de buurt op waar hij zijn bijnaam El Pibe de La Paternal kreeg. Hij speelde in verschillende ensembles, meestal trio’s met onder anderen violist Francisco Canaro, contrabassist Leopoldo Thompson en gitarist José Ricardo (die later nog Carlos Gardel begeleidde).
‘Amoniaco’ Orquesta Típica V. Loduca (a dos bandoneones: Loduca – Fresedo) 1917 beluister
Osvaldo Fresedo speelde in 1917 in een groot carnavalsorkest van Roberto Firpo en Francisco Canaro. Het jaar erop richtte hij zijn eerste eigen kwintet op met violisten Julio De Caro en Juan Koller, pianist José María Rizzuti en contrabassist Hugo Ricardo Baralis. Wat later kwam bandoneonspeler Pedro Maffia ook bij hem spelen.
Platenmaatschappij Victor bood bij gebrek aan opnamestudio’s Fresedo aan om in New York te gaan werken. In 1921 reisde Fresedo samen met violist Tito Roccatagliata en pianist Enrique Delfino erheen om samen met lokale muzikanten een 50-tal nummers onder de naam Orquesta Típica Select op te nemen. Bandoneonist Pedro Polito nam tijdelijk de leiding over van het sextet dat “thuis” bleef.
Bij zijn terugkeer naar Buenos Aires hervormde hij zijn sextet en werd zijn karakteristieke elegante stijl herkenbaar. De bezetting zou voortdurend veranderen en uitbreiden. Begin jaren ’20 was Fresedo samen met andere jonge musici zoals Julio De Caro en Juan Carlos Cobián een vernieuwer van de tango. Zijn stijl werd verfijnder en dat luidde het tijdperk van de Guardia Nueva [1] in.
Carlos Gardel nam met hem twee nummers op: ‘Perdón, viejita’ en ‘Fea’. ‘Fea’ Carlos Gardel met orkest van Osvaldo Fresedo 1925 beluister
Osvaldo Fresedo was populair bij de hogere klasse door zijn delicate melodieuze muziek. Bovendien vermeed hij Lunfardo, de volkstaal. Zo bracht hij de tango op hun galafeestjes. In 1927 hield hij wel tot 5 ensembles draaiende en moest voortdurend voyageren tussen de verschillende locaties om overal acte de présence te geven. Een van die orkesten werd gedirigeerd door Carlos Di Sarli, in een ander speelde bandoneonist Miguel Caló. Zowel Di Sarli als Caló lieten zich door Fresedo inspireren en boekten later succes met hun eigen orkest.
Foto: Osvaldo Fresedo en Francisco Canaro (staand), José Razzano, Aníbal Troilo en Enrique Santos Discépolo (zittend)
[1]
[1] De Guardia Nueva was een periode van vernieuwing rond de jaren ’20. Het is de intrede van de tango-cancion met Carlos Gardel als voorbeeld. De tango werd verfijnder. De musici waren in tegenstelling tot vroeger academisch opgeleid. Mede door radio en gesproken film werd de tango internationaal bekend. Het zal leiden tot De Gouden Jaren.
Osvaldo Fresedo reisde eind jaren ’20 naar Parijs en New York. Op vraag van radiostation NBC ging hij in 1934 voor de derde maal naar New York, deze keer zonder muzikanten om er the New York Philharmonic Orchestra op bandoneon te begeleiden. Het jaar daarop voegde hij vibrafoon, harp en drums aan zijn orkest toe. Hij had al met drums en sax geëxperimenteerd en zou nog andere instrumenten introduceren. Osvaldo trad in november 1935 bij de opening van Radio El Mundo (LR1) op. De bandoneon ging in die periode aan de kant zodat hij zich volledig op het dirigeerwerk kon richten.
‘Cordobesita’ canta Roberto Ray 1933 beluister ‘Sueño azul’ canta Roberto Ray 1937 beluister ‘Por qué’ canta Oscar Serpa 1943 beluister ‘Trenzas de ocho’ canta Carlos Barrio 1955 beluister
Het orkest werd almaar groter en heel wat topmusici passeerden zoals bandoneonspeler Luis Petrucelli en violisten Elvino Vardaro en Enrique Francini. Fresedo vond zangers die pasten bij zijn stijl, onder anderen Roberto Ray, Ricardo Ruiz, Oscar Serpa, Osvaldo Cordó, Armando Garrido en Héctor Pacheco.
Na gezondheidsproblemen stopt Osvaldo Fresedo in 1970 met zijn orkest maar keert in 1979 toch nog terug naar de studio met maar liefst 24 muzikanten. Roberto Pansera die in 1950 als 18-jarige in zijn orkest kwam spelen, werd de arrangeur.
Carlos Di Sarli componeerde in 1926 ’Milonguero viejo’ met tekst van Enrique Carrera Sotelo. Di Sarli zette het nummer instrumentaal 4 keer op plaat: in 1940, 1944, 1951 en 1955. Gezongen versies zijn er van Osvaldo Fresedo zelf met Ernesto Famá en Juan Maglio met Carlos Viván.
‘Milonguero viejo’ Osvaldo Fresedo canta Ernesto Famá 1928 beluister ‘Milonguero viejo’ Juan Maglio canta Carlos Viván beluister
Pedro Laurenz werd in een muzikale familie geboren in de wijk La Boca. Als jongeling woonde hij in de wijk Villa Crespo. Compadritos [1] en malevos [2] leefden er samen met Spaanse, Italiaanse, Joodse, Arabische en Turkse immigranten. Hij ontwikkelde een geweldige techniek met de bandoneon, gebruikte beide handen onafhankelijk en produceerde zo een een briljante klank, energiek en met een heftige frasering. Laurenz maakte deel van het beroemde sextet van Julio de Caro. In de Gouden Jaren van de tango leidde hij tussen 1934 en 1953 een orkest waarin zanger Alberto Podestá opviel.
[1] en [2]
[1] De compadritos waren een kruising van Italiaanse migranten en creoolse plattelandsbevolking. Ze behoorden tot de tweede generatie migranten. In tegenstelling tot hun hardwerkende ouders die aan tradities vasthielden, zochten ze hun eigen weg, kleedden zich als gaucho’s en namen hun taal en omgangsvormen over. [2] De malevos waren de mensen met slechte bedoelingen, de bedriegers, ruziemakers, pooiers …
Pedro Laurenz leerde aanvankelijk viool. Van 1917 tot 1920 verbleef hij in Montevideo waar hij door de bandoneon gefascineerd geraakte naar het voorbeeld van zijn broer Eustaquio. Een van zijn eerste optredens was daar samen met violisten Edgardo Donato en Roberto Zerrillo [3]. Hij was er ook actief in het orkest van Eduardo Arolas. [4] In 1923 speelde hij in café ABC bij het sextet van Roberto Goyheneche [5], niet de zanger maar een pianist met bijna dezelfde naam.
Julio De Caro nam Laurenz in 1925 als vervanger van Luis Petrucelli aan. Aanvankelijk had Laurenz het moeilijk om als tweede bandoneonist te spelen, Pedro Maffia schitterde toen als eerste. Uiteindelijk vonden ze elkaar en trokken samen de studio in om duetten op te nemen. In 1926 vertrok Maffia bij De Caro om zelf een orkest op te richten. Laurenz werd toen eerste bandoneonist en bleef bij De Caro tot 1934.
‘Buen amigo’ (componist Julio De Caro) Pedro Laurenz en Pedro Maffia 1925 beluister
[3] – [5]
[3] Meer over Donato en Zerrillo op deze link. [4] Eduardo Arolas geboren als Arolas, Lorenzo 24 februari 1892 (Buenos Aires) – overleden 29 september 1924 (Parijs). Hij was bandoneonspeler, orkestleider en componist. Zijn bijnaam was El Tigre del Bandoneón. Hij componeerde onder meer ‘Derecho viejo’ en ‘El Marne’. [5] Roberto Emilio Goyheneche geboren 23 oktober 1898 (Buenos Aires) – overleden 22 april 1925 (Buenos Aires) was een pianist en componist. Kort voor zijn dood richtte hij een sextet op.
Na die uitstekende periode bij De Caro richtte Laurenz in 1934 zijn eigen orkest op, alsof hij aanvoelde dat de instrumentale tango een nieuwe stijl nodig had. Alle muzikanten kwamen over van De Caro behalve de pianist. Dat werd al was het voor korte tijd, Osvaldo Pugliese. In juli 1937 werd hun eerste plaat met ‘Milonga de mis amores’ en ‘Enamorao’ geperst.
‘Milonga de mis amores’ (M) 1937 beluister ‘Enamorao’ (Ranchera) canta Héctor Farrel 1937 beluister
Het orkest kende verschillende bezettingen door de jaren heen.
Hoewel hij zangers van kwaliteit had zoals Juan Carlos Casas, Carlos Bermúdez of Jorge Linares, was geen van hen, met uitzondering van Alberto Podestá erg populair, wat het succes van het orkest beperkte. In 1953 ontbond hij zijn orkest.
‘Veinticuatro de agosto’ canta Alberto Podestá 1943-04-16 beluister ‘Mendocina’ (V) (Miguel Bruno) cantan Carlos Bermúdez en Jorge Linares 1944-12-19 beluister
Hij trad toe tot het Quinteto Real dat in 1959 door Horacio Salgán [6] werd opgericht. De eerste bezetting bestond uit pianist Salgán, bandoneonist Pedro Laurenz, violist Enrique Francini, gitarist Ubaldo De Lío en contrabassist Rafael Ferro. In de jaren ’60 naam hij nog een plaat op met een kwintet en in 1970 trad hij in New York op met een kwartet.
‘Mal de amores’ Quinteto Real 1960 beluister ‘Risa loca’ Quinteto Pedro Laurenz 1966 beluister
[6]
[6] Horacio Adolfo Salgán geboren 15 juni 1919 (Buenos Aires) – overleden 19 augustus 2016 (Buenos Aires) was pianist, orkestleider en componist.
Hij componeerde onder andere de tango’s ‘Como dos extraños’ , ‘De puro guapo’ , ‘Berretín’ , ‘Es mejor perdonar’ , ‘Mal de amores’ , ‘Risa loca’ , ‘Vieja amiga’ , ‘veinticuatro de agosto’ de milonga ‘Milonga de mis amores’ en de ranchera ‘Enamorado’. Hij schreef ‘Mala junta’ en ‘Orgullo criollo’ in samenwerking met Julio De Caro en ’Amurado’ met Pedro Maffia.
‘De puro guapo’ tekst van Manuel Meaños, canta Juan Carlos Casas 1940-01-25 beluister ‘Es mejor perdonar’ tekst van José María Contursi, canta Alberto Campo 1942-03-31 beluister ‘Patria mía’ tekst van Héctor Marcó, canta Alberto Podestá 1943-07-15 beluister
Bandoneonist, orkestleider, componist, filmster en leraar. Geboren 28 augustus 1899 Maffia, Pedro Mario (Buenos Aires) - bijnaam ‘El Pibe de Flores’. Overleden 16 oktober 1967 (Buenos Aires)
Pedro Maffia werd geboren in de wijk Balvanera als zoon van Angelo V. Maffia en Luisa Spinelli, immigranten uit Italië. Hij had een moeilijke jeugd in armoede en met een agressieve vader. Hij liep dan ook van thuis weg om in de stad Punta Alta (provincie Buenos Aires) te gaan leven.
Maffia leerde aanvankelijk piano maar de bandoneon werd zijn instrument. De bandoneon was met migranten mee naar Buenos Aires gekomen maar leraren waren er niet. Muzikanten moesten dus zelf uitzoeken hoe ermee om te gaan. Zo ontwikkelde Maffia zelf een methode om te spelen en later te doceren. In 1954 werd hij professor aan het Manuel de Falla Conservatorium van Buenos Aires.
Pedro was een pionier, niet alleen door a cappella te spelen maar ook door delen van de vioolpartij mee te nemen. Hij had een rustige stijl waarbij hij de balg nauwelijks bewoog, zonder bruuske bewegingen, de klassieke waaierbeweging vermijdend.
Zijn invloed op andere bandoneonisten bleef bij het grote publiek onopgemerkt. Hij vernieuwde de Guardia Vieja [1] door de bandoneon volwaardig aan de melodie te laten deelnemen in plaats van enkel als ritmische ondersteuning te dienen.
’Taconeando’ zang van Francisco Fiorentino 1931-06-07 beluister
Pedro Maffia was een graag gezien man. Hij ging vaak op café en restaurant, had er vrienden van verschillend allooi. Zo maakte hij deel uit van de beroemde Grupo de Boedo met onder meer dichters José González Castillo [2] en Cátulo Castillo [3], muzikanten Sebastián Piana, Pedro Laurenz en duizendpoot Juan Francisco Giacobbe [4].
[1] – [5]
[1] De Guardia Vieja is de periode (eind 19de begin 20ste eeuw) waarin de Argentijnse tango zijn eigen identiteit verwierf en begon door professionele muzikanten beoefend te worden. [2] José González Castillo alias Juan de León geboren 25 januari 1885 (Rosario, Arg.) - overleden 22 oktober 1937 (Buenos Aires) was toneelschrijver, theaterregisseur, filmlibrettist en tangotekstschrijver onder meer van ‘Griseta’. Cátulo Castillo was zijn zoon. [3] Cátulo Castillo geboren als González Castillo, Ovidio Cátulo 6 augustus 1906 (Buenos Aires) - overleden 19 oktober 1975(Buenos Airers) was een bekende Argentijnse tangodichter, orkestleider, docent en componist. Hij was componist van de beroemde tango's: ‘Organito de la tarde’ en ‘El aguacero’ met teksten van José González Castillo, zijn vader. Hij was ook bokser. [4] Juan Francisco Giacobbe geboren 27 maart 1907 (Buenos Aires) - 31 januari 1990 (Buenos Aires) was een Argentijnse musicoloog, componist, dirigent, toneelschrijver, dichter, filosoof, regisseur, wetenschapper en muziekleraar.
Op zijn 15 ging hij al in cafeetjes spelen. In 1917 hoorde gitarist José Ricardo die met Carlos Gardel samenwerkte hem in Punta Alta spelen en stelde hem vervolgens voor aan Roberto Firpo [6] die hem in zijn sextet opnam. Pedro bleef er enkele jaren maar kon zich niet in Firpo’s stijl vinden. Pedro Maffia speelde een tijdje bij Juan Carlos Cobián [7] tot deze laatste in 1923 zijn groep opdoekte om de ware liefde naar de VS te volgen. Drie muzikanten waaronder Maffia en de broers De Caro vormden later wat het Orquesta Julio De Caro werd. In 1926 verliet hij het ensemble De Caro om zelf een sextet te vormen.
[6] en [7]
[6] Roberto Firpo geboren 10 mei 1884 (Las Flores, Arg.) – overleden 14 juni1969 (Buenos Aires) was pianist, orkestleider en componist van onder meer ‘Alma de bohemio en ‘El amanecer’. Hij herschreef ‘La cumparsita’ tot zijn huidige vorm. Hij nam meer dan 3000 nummers op. [7] Juan Carlos Cobián alias Goubián of El Aristócrata del Tango geboren 31 mei 1896 (Pigué, Arg.) – overleden 10 december 1953 (Buenos Aires). Hij was pianist, orkestleider, componist van onder meer ’Nostalgias’ , ‘Shusheta’ en ‘El motivo’.
Op 1 december 1926 debuteert Pedro Maffia met zijn pas gevormd sextet in Café Colón. Zijn ensemble bestond aanvankelijk uit hemzelf en Alfredo De Campo als bandeonist, violisten Elvino Vardaro en Cayetano Puglisi (later broer Emilio Puglisi, zie foto), pianist Osvaldo Pugliese en contrabasisst Francisco De Lorenzo.
Sexteto Pedro Maffia 1926 Onderaan Elvino Vardaro, Pedro Maffia en Alfredo De Franco, midden Emilio Puglisi en Osvaldo Pugliese en bovenaan Francisco De Lorenzo
Zijn sextet wisselde geregeld van bezetting en in aantal muzikanten. Passeerden de revue: pianisten Osvaldo Pugliese (1926) en Sebastián Piana (1927), bandoneonspeler en estribillista Francisco Fiorentino (later succesvol zanger bij Troilo) en zanger Roberto Maida (later bij Francisco Canaro).
Pedro Maffia bracht 194 nummers op plaat uit. In 1925 nam hij samen met Pedro Laurenz verschillende nummers op waaronder ‘Julián’, alvorens Maffia zijn sextet vormde.
‘Julián’ Pedro Maffia en Pedro Laurenz 1925-07-03 beluister
Maffia was acteur in de films ‘¡Tango!’ (1933), ‘Canillita’ (1936), ‘Sombras porteñas’ (1936), ‘Sinfonía argentina’ (1942) en de kortfilm ‘Fueye querido’ (1966).
Op zijn 15de componeerde hij zijn eerste tango ‘Cornetín’. In totaal schreef hij een 50-tal nummers waarvan een aantal samen met Sebastián Piana.
‘Amurado’ samen met Pedro Laurenz, tekst José Pedro de Grandis, versie in duo met Alfredo De Franco 1927 beluister ‘La Mariposa’ tekst Celodonio Flores, versie met zang van Roberto Maida 1930 beluister
Laatste herziening 18 juli 2023 Gepubliceerd 26 juni 2023
Inleiding
Astor Piazzolla is vandaag een van de bekendste tangoartiesten. Hij zorgde voor radicale vernieuwing en de controverse rond zijn muziek was dan ook niet min. Tevens is het latere succes van de Tango Nuevo mede aan hem te danken. Hij componeerde honderduit, gaande van filmmuziek tot opera maar zijn tango’s werden het bekendst, denk aan ‘Libertango’ , ‘Oblivión’ en ‘Adiós Nonino’ .
Astor Piazzolla werd op 11 maart 1921 in de kustplaats Mar del Plata geboren. Hij was enig kind van Asunta Mainetti en Vicente Piazzolla die van tango hield en zelf accordeon speelde. In 1925 verhuisde de familie naar New York en kwam er in een migrantenbuurt terecht waar de maffiosi floreerden. Toen hij 8 werd, schonk zijn vader hem een bandoneon terwijl hij liever rolschaatsen had gekregen.
Piazzolla interesseerde zich echter weinig voor muziek maar op zijn 12 raakte hij gehypnotiseerd door de muziek van Bach die een Hongaarse buurman, de pianist Béla Wilda, een leerling van Sergej Rachmaninov [1] ten beste gaf. Hoewel zijn ouders het niet breed hadden, zorgden ze er toch voor dat hij bij Wilda les kon volgen. Andrés D’Aguila, een vriend van zijn vader, leerde hem later klassieke muziek op bandoneon spelen.
[1]
[1] Sergej Vasiljevitsj Rachmaninov (Rusland 1873 – Beverly Hills, US 1943) was een Russische componist, pianist, dirigent en muziekpedagoog.
Tango
Hij werd aangetrokken door de mysterieuze wereld van de tango door naar platen van Julio De Caro en Carlos Gardel te luisteren die zijn vader bezat. Als 13-jarige leerde Piazzolla Carlos Gardel persoonlijk kennen en kreeg de smaak van de tango echt te pakken.
In 1936 keerde hij naar Mar del Plata terug en speelde er in tango-orkesten mee. Toen hij Elvino Vardaro’s sextet op de radio hoorde spelen, raakte hem dat diep. Vardaro werd dan ook later zijn violist. Piazzolla schaafde zijn muzikale kennis bij en volgde les bij Alberto Ginastera [2] en Raul Spivak [3].
Astor Piazzolla trouwde in 1942 met Odette María ‘Dede’ Wolf. Ze kregen twee kinderen Diana (1943) en Daniel (1944). In 1966 verliet hij haar en begon een verhouding met zangeres Amelita Baltar. In 1976 ontmoette hij Laura Escalada, zijn laatste vrouw.
[2] en [3]
[2] Alberto Evaristo Ginastera (Buenos Aires 1916 – Genève 1983) was een Argentijnse componist en muziekpedagoog. Hij wordt beschouwd als de een van de belangrijkste componisten van Zuid-Amerika. [3] Raul Spivak: klassiek pianist en componist.
Aníbal Troilo
Op zijn 17 verhuisde Astor van Mar Del Plata naar Buenos Aires. Daar speelde hij in verschillende tango-orkesten tot Aníbal Troilo hem in 1939 vroeg bij zijn orkest aan te sluiten, toen een van de grootste. Troilo was een van de beste bandoneonspelers. In 1944 verlieten zanger Francisco Fiorentino en Piazzolla het orkest van Aníbal Troilo. Samen richtten ze het Fiorentino y su Orquesta Típica op dat 2 jaar standhield. Astor en Aníbal bleven zowel muzikaal als vriendschappelijk met elkaar verbonden.
‘Viejo ciego’ canta Francisco Fiorentino met zijn eigen orkest 1946 beluister ‘Para lucirse’ Aníbal Troilo met Astor als componist en muzikant 1950 beluister ‘El Motivo’ duet Aníbal Troilo en Astor Piazzolla 1970 beluister
Hij vormde in 1946 zijn eigen orkest, dat na nog geen drie jaar uiteenviel. Met dit orkest volgde hij zijn creatieve impulsen en ontwikkelde hij een dynamische en harmonische toets. Deze benadering was moderner en veroorzaakte de eerste kritieken van de traditionele tangueros. Hij zette toen 32 nummers op plaat.
Herbronning
In 1949 stopte hij met zijn orkest en liet de tango links liggen. Op zoek naar iets anders ontdekte hij Béla Bartók [4] en Igor Stravinsky [5] en bij Hermann Scherchen [6] studeerde hij orkestdirectie. Ook jazz boeide hem mateloos. Zijn zoektocht naar een eigen stijl groeide uit tot een ware obsessie.
Tussen 1950 en 1954 componeerde hij een serie werken die duidelijk anders waren dan de tango van dat moment, onder andere ‘Para lucirse’ , ‘Tanguango’ , ‘Prepárense’ , ‘Contrabajeando’ , ‘Triunfal’ en ‘Lo que vendrá’.
In 1953 diende Piazzolla ‘Buenos Aires’ voor de Fabien Sevitzky-wedstrijd in en won er de eerste prijs mee. Het werk werd uitgevoerd door het symfonisch orkest van Radio del Estado gedirigeerd door Fabien Sevitzky [7] zelf. Speciaal voor dit nummer werden twee bandoneons toegevoegd. Alles verliep goed tot er aan het einde van het concert een vechtpartij uitbrak tussen voor- en tegenstanders van zijn vernieuwende muziek.
[3] – [7]
[4] Béla Viktor János Bartók (Hongarije 1881 – New York 1945) was muziekpedagoog, componist en pianist. [5] Igor Fjodorovitsj Stravinsky (Rusland 1882 – New York 1971) was componist en dirigent. Hij verwierf in 1934 de Franse nationaliteit en werd later tot Amerikaan genaturaliseerd. [6] Hermann Scherchen (Berlijn 1891 – Firenze, Italië 1966) was dirigent en muziekpedagoog. [7] Fabien Sevitzky (Koussevitzky) (Vishny Volochok, Rusland 1891- Athene 1967) dirigent en arrangeur. Werd Amerikaans staatsburger.
Nadia Boulanger
De prijs die Astor met de wedstrijd won, was een studiebeurs van de Franse regering. Daarmee ging hij in 1954 in Parijs bij Nadia Boulanger [8] studeren, een van de beste klassieke muziekdocentes van die tijd. Piazzolla verborg zijn tangoverleden omdat zijn aandacht bij de klassieke muziek lag. Dit misverstand werd uit de wereld geholpen toen hij bij Boulanger zijn hart luchtte en ‘Triunfal’ speelde. Van haar kreeg hij een warme aanbeveling: “Astor, uw klassieke stukken zijn goed geschreven, maar de ware Piazzolla is hier. Laat de tango nooit meer los.”
‘Prepárense’ beluister ‘El cielo en tus manos’ cantora María De La Fuente met Astor Piazzolla beluister ‘Buenos Aires’ Nashville Symphony Orchestra, gecomponeerd door Astor Piazzolla beluister (1ste deel) beluister (2de deel) beluister (3de deel)
In plaats van te kiezen tussen tango en andere muziekstijlen, combineerde hij ze. In Parijs componeerde hij een paar tango’s voor strijkorkest en begon hij bandoneon staande te spelen (de meeste bandoneonisten spelen zittend).
[8]
[8] Juliette Nadia Boulanger (Parijs, 1887 – 1979) was een Franse dirigente, pianiste en docente compositie aan diverse conservatoria. Minder bekend werd ze als componiste.
Astor Piazzolla 1975
In 1955 maakte hij weer opnames samen met pianisten Lalo Schiffrin en Martial Solal ondersteund door het Opera-orkest van Parijs.
Terug in Argentinië stichtte Piazzolla zijn Orquesta De Cuerdas en het Octeto Buenos Aires. In dit laatste octet combineerde hij twee bandoneons, twee violen, een gitaar, een contrabas, een cello en een piano en week hiermee van de traditionele bezetting af van het orquesta típica. Het werd de facto kamermuziek. Door zich steeds verder van de klassieke tango te verwijderen, wekte hij de woede van de conservatieve tangueros op. Tussen hem en de media ontstond een koude oorlog en in 1958 verliet hij Buenos Aires en keerde naar New York terug.
’Tema otoñal’ , Boedo’ , ‘Mi refugio’ en ‘Taconeando’ Octeto Buenos Aires 1956 beluister ‘Arrabal’ Octeto Buenos Aires 1957 beluister
Duizendpoot Piazzolla
Tussen 1958 en 1960 werkte hij in de Verenigde Staten. Piazzolla experimenteerde met jazz-tango en bracht tal van platen uit met verschillende ensembles. Hij was tegelijk arrangeur, muzikant en of orkestleider. Terug in Argentinië begon hij met “Su Quinteto” later onder de naam Quinteto New Tango. Als extraatje kwam er een elektrische gitaar bij. Met dit kwintet kon Piazzolla het best zijn gevoelens van het moment uitdrukken.
‘Decarísimo’ Piazzolla y su Quinteto 1961 beluister ‘Buenos Aires hora Cero’ Quinteto New Tango 1962 beluister
Hij bleef spelen voor andere artiesten en vormde zelf verschillende ensembles onder meer Conjunto 9 waarmee hij voornamelijk in Buenos Aires en Italië optrad. Deze groep was een van Piazzolla’s dromen omdat hij er zijn gecompliceerde muziek kon mee uitvoeren. In de jaren ’70 vormde Piazzolla het octet Conjunto Electrónico met een bandoneon, piano en/of elektrische piano, orgel, gitaar, elektrische basgitaar, drums, synthesizer en een viool. Velen vonden dat hij meer jazz-rock dan tango speelde, maar Piazzolla zei dat zijn muziek meer met de tango verwant was.
In 1973 na een periode waarin hij uitzonderlijk veel werken had geschreven, kreeg hij een hartaanval. Hij moest het wat rustiger aan doen maar bleef optreden en samenwerken met artiesten van verschillende pluimage. In 1977 speelde Piazzolla een concert in Parijs met muzikanten die dichter bij rockmuziek dan bij de tango stonden.
‘Libertango’ Conjunto Electronico, Parijs 1977 beluister
De volgende tien jaar waren de beste wat Piazzolla’s populariteit betreft en werd hij wereldberoemd. Hij speelde in Europa, Zuid-Amerika, Japan en de Verenigde Staten. Van 1983 tot 1989 werkte hij vooral met zijn Quinteto Tango Nuevo.
‘Fuga y Misterio’ Astor Piazzolla, Buenos Aires 1983-06-11 beluister
De laatste ronde
In 1988 onderging Piazzolla een viervoudige bypassoperatie.
Spoedig daarna in 1989 vormde hij zijn laatste groep: het Sexteto Nuevo Tango dat uit twee bandoneons, piano, elektrische gitaar, bas en cello bestond. Met deze groep speelde hij in juni 1989 in het Teatro Ópera te Buenos Aires zijn laatste concert in Argentinië om daarna een uitgebreide tour door de V.S., Engeland, Duitsland en Nederland te maken. Hij bleef ook nog spelen in strijkkwartetten en symfonische orkesten.
Op 4 augustus 1990 kreeg hij in Parijs een beroerte. Na twee jaar in coma stierf hij op 4 juli 1992 op 71-jarige leeftijd in Buenos Aires.
‘Milonga del ángel’ Sexteto Tango Nuevo 1989 beluister
In New-York werd Carlos Gardel een goede vriend van de familie. Piazzolla kreeg op zijn 14 een figurantenrol als krantenjongen in de film ‘El día que me quieras’ , waarin Carlos de hoofdrol had. Was dit de aanzet tot het componeren van filmmuziek? Hij schreef muziek voor zo’n 40 films.
Astor Piazzolla componeerde meer dan 750 nummers in verschillende genres.
‘El desbande’ in 1946 beschouwde Piazzolla als zijn eerste officiële tango. Een van zijn beroemdste werken werd ‘Adiós Nonino’ dat hij in 1959 ter nagedachtenis aan zijn toen pas overleden vader componeerde.
Zijn vriend dichter Jorge Luis Borges eerde hij door 7 gedichten van hem op muziek te zetten. Eind jaren ’60 werkte hij met dichter Horacio Ferrer samen voor de opera ‘María de Buenos Aires’. In minder dan een jaar tijd werd de opera zo’n 120 keer opgevoerd, een overweldigend succes. In 1969 schreven ze samen ook nog ‘Balada para un loco’ waarmee ze op het Iberoamerican Music Festival de tweede plaats behaalden.
Astor Piazzolla schreef in 1982 ‘Le Grand Tango’ voor cello en piano, opgedragen aan de Rus Mstislav Rostropovitsj, een van de bekendste cellisten van zijn tijd. De tango werd voor het eerst in 1990 in New Orleans uitgevoerd.
‘El desbande’ Astor Piazzolla y su Orquesta Típica 1946-11-26 beluister ‘Adiós Nonino’ Astor Piazzolla y su Quinteto 1959 beluister ‘El tango’ tekst Jorge Luis Borges, Luis Medina Castro (recital) y Quinteto Nuevo Tango beluister ‘Ballada para un loco’ Astor Piazzolla zang Roberto Goyeneche beluister ‘Milonga carrieguera’ ensemble met Piazzolla, zang Amilita Baltar en Héctor De Rosas, fragment van opera ‘María de Buenos Aires’ 1968 beluister
Zijn omvangrijke oeuvre beïnvloedt nog steeds muzikanten van alle generaties in de hele wereld. Voorbeelden zijn de Belgische ensembles Astoria, Quinteto Astor en de Nederlandse bandoneonist Carel Kraayenhof.
Aan hem opgedragen: ‘Last tango for Astor’ Al Di Meola (VS) 1996 beluister ‘El sol sueño (Hommage à Astor Piazzolla)’ componist Jerzy Peterburshsky, versie Gibon Kremer (Lets violist) 1996 beluister ‘Laura et Astor’ componist Richard Galliano (Fr/It accordeonist) met zijn septet 2003 beluister
Documentaire over Piazzolla: ‘Piazzolla, los años del tiburón’ regie Daniel Rosenfeld 2018 bekijk trailer
Grace Jones scoorde in 1981 een hit met ‘I’ve Seen That Face Before’ gebaseerd op ‘Libertango’.
Hij werd ereburger van Buenos Aires in 1985.
Piazzolla ontving in 1986 de Cesar-prijs voor de filmmuziek bij ‘El exilio de Gardel’.
In 1995 kende men hem in Argentinië de “Konex de Honor” toe voor zijn onschatbare bijdrage aan de muziek.
Wie een vlucht naar Astor’s geboortestad neemt, landt op de Aeropuerto Internacional Astor Piazzolla
Muziek: ‘María de Buenos Aires’ volledige opera 1968 beluister ‘El exilio de Gardel’ soundtrack 1986 beluister
Beheer cookie toestemming
Om de beste ervaringen te bieden, gebruiken wij technologieën zoals cookies om informatie over je apparaat op te slaan en/of te raadplegen. Door in te stemmen met deze technologieën kunnen wij gegevens zoals surfgedrag of unieke ID's op deze site verwerken. Als je geen toestemming geeft of uw toestemming intrekt, kan dit een nadelige invloed hebben op bepaalde functies en mogelijkheden.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.