Pianist, orkestleider en componist. Geboren als Tanturi, Ricardo 27 januari 1905 (Buenos Aires). Bijnaam: El Caballero Del Tango. Overleden 24 januari 1973 (Buenos Aires).
Ricardo Tanturi werd in de wijk Barracas geboren als zoon van Italiaanse ouders. Hij leerde viool bij Francisco Alessio, de nonkel van de later bekende bandeneonspeler Enrique Alessio [1]. Hij liet zich echter beïnvloeden door zijn broer Antonio die pianist en medeorkestleider van het Orquesta Típica Tanturi-Petrone [2] was. Ricardo koos uiteindelijk voor piano en Antonio werd zijn leraar.
[1] en [2]
[1] Enrique Carmelo Alessio (1918 – 2000) was een Argentijns bandoneonspeler en orkestleider. Hij componeerde ook enkele tango’s zoals ‘Cantemos corazón’ en ‘Te odio y te quiero’. [2] Antonio Tanturi was pianist, orkestleider en componeerde enkele tango’s. Van Petrone weten we niets. Beide heren werkten samen, hier een opname
Hij begon zijn artistieke carrière in 1924 in clubs en op liefdadigheidsfestivals. Samen met zijn broer Antonio traden ze op voor LOY Radio Nacional, de latere Radio Belgrano. Op de universiteit waar hij geneeskunde studeerde, vormde hij met Raúl Sánchez Reynoso en Antonio Arcieri een jazzband met zanger Juan Carlos Thorry en veel muzikanten die zich later bij zijn orkest zouden voegen.
Sexteto Los Indios
Begin jaren ’30 richtte hij het sextet “Los Indios” op als eerbetoon aan een poloteam waar hij fan van was. Bandoneonspelers Emilio Aguirre en Francisco Ferraro, violisten Antonio Arcieri en Pibetti, contrabassist Emilio Méndez en Ricardo zelf als pianist en orkestleider vormden samen het ensemble.
Het orkest debuteerde in het Alvear Palace Hotel en speelde in bioscopen en theaters. Later entertainden ze de zomerseizoenen op het legendarische terras van Hotel Carrasco in Montevideo. Hun introductienummer was er de mars ‘Carrasco’ [3].
Later werd het aankondigingsnummer ‘Los indios’ van Francisco Canaro. Tanturi’s eerste opname dateert van 1937 met ‘Tierrita’ en ‘A la luz del candil’ [4]. Tijdens een van zijn optredens ontmoette hij Osvaldo Valle, artistiek directeur van Radio el Mundo waarvan Ricardo Tanturi een centraal figuur werd.
‘Carrasco’ (Marcha) zang Carlos Ortega 1938 beluister
‘ Los indios’ Tanturi zette het zelf niet op plaat, dus een versie van componist Canaro beluister
[3] – [4]
[3] ‘Carrasco’ een mars gecomponeerd door Tanturi met tekst van zanger Carlos Ortega. [4] ‘Tierrita’ gecomponeerd door Agustín Bardi. ‘A la luz del candil’ gecomponeerd door Carlos Geroni Flores met tekst van Alfredo Navarrine.
Orquesta Típica Ricardo Tanturi y Los Indios
Wanneer het ensemble van een sextet uitgroeide tot een orquesta típica is onduidelijk. Wat we wel zeker weten is dat het succes van het orkest in 1939 begon met de intrede van de iconische zanger Alberto Castillo.
Alberto Castillo
Tanturi lijfde Alberto Castillo in die vervolgens een grote publiekstrekker werd. Castillo met zijn perfecte melodie, meesterlijke vaardigheid in het gebruik van toonhoogtes en mezza voce [5], kon het publiek volledig inpakken. Castillo stak tederheid en gevoel in de muziek. Hij zong suggestief en sloeg soms een humoristische toon aan. Met zijn overdreven gebaren maakte hij er een echte show van. Een podiumbeest was hij, altijd elegant gekleed en verzorgd, zo populair bij vrouwen dat hij als gynecoloog stopte. Vrouwen verzonnen allerlei kwaaltjes om toch maar bij hem te geraken. Nachtclubs, bars en grote salons van Buenos Aires, Montevideo, Mar del Plata en Rosario stroomden vol om hem aan het werk te zien.
‘Así se baile el tango’ zang Alberto Castillo 1942 beluister
‘Madame Ivonne’ zang Alberto Castillo 1942 beluister
Tanturi liet met zijn orkest de hoofdrol aan Castillo over zoals daarna ook met zijn opvolger, de Uruguayaan Enrique Campos. De tijd van de estribillistas, zangers die maar één strofe zingen, was voorbij. Eind jaren ’40 speelden ook in andere orkesten zangers een belangrijkere rol. Met Castillo nam Tanturi 37 nummers op maar in 1943 begon Alberto Castillo aan een solo-carrière.
[5]
[5] Mezza voce, letterlijk halve stem of zingen met ingehouden stem, zodat het stemgebruik eerder op zacht spreken dan op zingen lijkt.
Enrique Campos
Net als Castillo besteedde Enrique Campos veel aandacht aan communicatie met het publiek. Zijn stem had een heel andere klankkleur, wel gevoelig maar eerder ingetogen. Achter hem klonk het orkest zelfverzekerd, precies en bijna perfect wat het geheel zeer dansbaar maakt. De 51 liedjes die Tanturi en Campos samen opnamen, werden zo een schatkamer van het genre. Maar het orkest zou de pracht en praal van de periode met Castillo niet meer evenaren. In Uruguay, zijn geboorteland, gebruikte Campos de artiestennaam Eduardo Ruiz. In Argeninië echter zongen al twee mannen onder de naam Ruiz. Daarom opende hij een telefoongids en koos willekeurig voor “Campos”.
In 1946 verliet Campos Tanturi om bij Francisco Rotundo te zingen. Het orkest kende vervolgens succes met Osvaldo Ribó en Roberto Videla. In de jaren ’50 bliezen Juan Carlos Godoy en Elsa Rivas de populariteit van Tanturi nieuw leven in.
‘Muchachos comienza la ronda’ zang Enrique Campos 1943 beluister
Pianist, orkestleider en componist. Geboren als De Angelis, Alfredo 2 november 1912 (Adrogé – prov. Buenos Aires). Bijnamen: El Colorado (de Banfield) en Diego Anson. Overleden 31 maart 1992 (Buenos Aires).
Alfredo de Angelis werd geboren in Adrogué (ten zuiden van stad Buenos Aires). Hij was de zoon van violist Virgilio De Angelis en begon op 9 jaar bandoneon te leren. Op 18-jarige leeftijd gaf hij de voorkeur aan piano en trad op in plaatselijke bioscopen. Twee jaar later maakte hij zijn debuut in een orkest, dat van Anselmo Aieta [1] in Café Germinal. In die bezetting speelde Juan D’Arienzo viool. Daarna begeleidde hij Félix Gutiérrez, een succesvol estribillista [refreinzanger], in verschillende orkesten. Rond 1934 speelde hij even bij het orkest van Graciano de Leone [2]. Daarna werkte hij samen met Daniel Álvarez [3]. Nog later trad hij toe tot het orkest Los Mendocinos onder leiding van Francisco Lauro [4].
De Angelis woonde het grootste deel van zijn volwassen leven in de buurt van Banfield, een stad in de provincie Buenos Aires. Hij stond bekend als “El Colorado de Banfield” en was een fervente fan van Club Atlético Banfield (El Taladro) waaraan hij een tango met dezelfde naam opdroeg.
[1] Anselmo Alfredo Aieta (1896 Buenos Aires – 1964) was bandoneonspeler, orkestleider en componist van onder meer ‘Alma en pena’ en ‘Pavadita’. [2] Graciano de Leone alias Liendre (1890 Buenos Aires – 1945) was bandoenspeler en orkestleider. Hij componeerde de milonga ‘Reliquías portañas’. [3] Daniel Héctor Álvarez alias Sardina (1908 Buenos Aires – 1983) was bondoneonspeler en orkestleider. [4] Francisco Lauro alias El Tano en Pancho Picaflor (1897 Mola (Bari) Italia – 1960) was bandoneonspeler en orkestleider.
In 1940 richtte hij een eigen orkest op en debuteerde met zanger Héctor Morea waarmee hij geen opnames maakte. De Angelis sprong mee op de kar van Juan D’Arienzo, “El Rey Del Compás” , die het accent op ritme en dansbaarheid legde. Hij werd zo mee één van de hoofdrolspelers van de gouden jaren van de tango in de jaren’40 en’50.
Julio Martel en Carlos Dante
Hij wachtte met platen opnemen tot 1943. In die tijd konden sommige orkesten twee zangers betalen dus deed hij dat ook. Zijn eerste keuze viel op de vrijwel onbekende Julio Martel. De debuutopnames hebben een introductie of “glosa”, een stuk tekst dat door “glosador” Néstor Rodi werd voorgelezen. Het zorgde voor meer drama in de muziek.
‘De igual a igual’ canta Julio Martel glosa Néstor Rodi 1943 beluister
Zijn tweede keus werd Floreal Ruiz. Kort erna ging Ruiz echter andere horizonten opzoeken onder meer bij Aníbal Troilo. Carlos Dante, een veteraan van de guardia vieja [5] die al had gezongen bij Rafael Canaro en Miguel Calo in de jaren ’30, werd zijn opvolger. Zo combineerde De Angelis de jonge twintigjarige Martel met de ervaren veertiger Dante. Samen vormden zij het iconisch zangduo van De Angelis.
‘Soy un arlequin’ canta Carlos Dante 1945 beluister
‘Pregonera’ cantan Julio Martel en Carlos Dante 1945 beluister
[5]
[5] De Guardia Vieja is de periode (eind 19de begin 20ste eeuw) waarin de Argentijnse tango zijn eigen identiteit verwierf en begon door professionele muzikanten beoefend te worden.
De duetten
Er passeerden nog verscheidene zangers de revue waaronder Oscar Larroca. Typerend zijn de vele duetten.
Julio Martel en Carlos Dante (jaren ’40), ‘Mi cariñito’ (V) beluister
Carlos Dante en Oscar Larroca (jaren ’50), ’Luz y sombra’ (V) beluister
Alberto Cuello en Carlos Aguirre (jaren ’60), ‘Los versos para mi madre’ (V) beluister
Carlos Aguirre en Julián Rosales (jaren’70), ‘Yo si que la emboque’ (M) beluister
Gigi De Angelis en Carlos Boledi, ‘Amor y baile’ (M) beluister
Marcelo Biondini en Rubén Linares (jaren’80), ‘Mi pampa blanca’ beluister
Op 1 april 1946 zond Radio El Mundo in hun programma ‘Glostora Tango Club’ Alfredo De Angelis met zijn orkest uit. Het werd het populairste programma van de Argentijnse radio en bleef 22 jaar in de ether, mede dankzij De Angelis.
Hij acteerde ook in enkele films: ‘Al compás de tu mentira’ (1950) en ‘El cantor del pueblo’ (1951).
Gigi De Angelis
Op 16 maart 1945 werd Alfredo vader van een dochter. Isabel, later danseres, zangeres en pianiste, zong ook in het orkest van haar vader en schreef enkele teksten voor zijn composities. In de voetsporen van haar vader componeerde ze een tiental tango’s.
Alfredo’s carrière was een commercieel succes en hij kon zijn orkest behouden tot in 1991, een jaar voor zijn overlijden.
Roberto Firpo is relatief onbekend maar was een vernieuwer van de tango. Hij speelde een belangrijke rol bij het invoeren van de piano als begeleidend instrument. Als componist gaf hij de tango een romantische toets mee. De tangowals uit Buenos aires (valsecito porteño) kreeg zijn definitieve vorm dankzij hem en verschilde ook definitief van de Europese wals. Van het enorme aantal opnames, ongeveer 2860, is weinig te vinden en daardoor is zijn orkest wat in de vergeethoek beland.
Zijn droom was het een piano te kopen en hiervoor moest hij in zijn kinderjaren hard werken. Hij stopte met studeren om zijn vader in de winkel te helpen in zijn geboortestad Las Flores. Met enkele dollars op zak arriveerde hij als tiener in Buenos Aires en ging er aan de slag als winkelbediende, metselaar, melkboer en arbeider. Dat alles om geld te sparen zodat hij zijn begeerde instrument kon kopen. Roberto zelf zei dat de dag dat hij zijn piano voor 200 peso kocht, de gelukkigste van zijn leven was.
19 jaar oud begon hij les te volgen bij de 8 jaar oudere Alfredo Bevilacqua [1], een van de groten uit die periode.
[1]
[1] Alfredo Alberto Bevilacqua, (1874, BA – 1874 BA), was een pianist, componist en bandleider die erkend wordt als een van de grootste vertegenwoordigers van de Guardia Vieja. Hij componeerde ‘Venus’ , ‘Independencia’ en ‘Apolo’.
Firpo debuteerde professioneel in 1907 bij een trio met violist Francisco Postiglione en klarinettist Juan Carlos Bazán [2], voor slechts 3 pesos en een maaltijd in Lo de Hansen, een zaak waar ’s nachts tangoliefhebbers samen kwamen. Op een dag begon Juan Carlos aan een ander lokaal, El Velódromo, op zijn klarinet te improviseren met als doel volk te lokken voor Lo de Hansen. Het resultaat was dat Lo De Hansen leeg bleef en El Velódromo volliep.
Rond 1913 vormde Firpo zijn eerste ensemble en kreeg succes met nummers als ‘Argañaraz’ , ‘Sentimiento criollo’ , ‘De pura cepa’ en ‘Marejada’. Hij speelde in verscheidene groepen met diverse bezetting.
Meer dan eens deelde hij het podium met het duo Gardel-Razzano en verdroeg telkens weer hun plagerijen. Samen maakte ze slechs één opname, ‘El moro’ in 1917. (Je kunt de piano en de klarinet horen)
[2] Juan Carlos Bazán ( 1887, BA – 1936 La Plata, prov. BA) was een saxofonist, klarinettist, orkestleider, tekstschrijver en componist die de bijnaam El Gordo Mamadera had en sommige van zijn werken ondertekende met het pseudoniem El Mosquetero. [3] Lo de Hansen was een restaurant dat in 1877 werd opgericht door de Duitse immigrant Juan Hansen, in de wijk Palermo, in het zuid-oosten van Buenos Aires. Het wordt door velen belangrijk beschouwd in de geschiedenis van de tango. Het gebouw werd in 1912 gesloopt. [4] El Velódromo in 1899 ingehuldigd, was gelegen in het hart van het Tres de Febrero Park, in de wijk Palermo, in het zuid-oosten van Buenos Aires. Overdag was het een velodroom met een houten tribune en ’s avonds was het een dansgelegenheid.
Roberto Firpo was samen met Francisco Canaro één van de vernieuwers van die tijd.
Firpo begon piano te spelen bij klarinettist Juan Carlos Bazán en richtte later zijn eigen kwartet op. Toen in 1913 de club Armonville een wedstrijd organiseerde om een nieuw huisorkest te kiezen, won Firpo. Éen van de gitaristen van de andere ensembles ging op hem af om hem zogenaamd te feliciteren maar stak hem in de rug zodat Firpo in het ziekenhuis belandde. Niet alle gitaristen waren zo boosaardig. Zo bijvoorbeeld Leopoldo Thompson [5] die op contrabas overschakelde en nog een tijdje bij Firpo zou spelen. Aanvankelijk speelden piano en gitaar nog gezamelijk maar de gitaar werd door de slagkracht en de vele mogelijkheden van de piano geleidelijk weggedrukt.
Na de piano introduceerde Firpo ook een andere innovatie: er kwam een tweede viool bij. Zo maakte hij de weg vrij voor tegenzang [6]. Geen enkel Orquesta Típica had dit ooit eerder gedaan. Er kwam nog een extra bandoneonspeler bij en zo werd Firpo de bezieler van het sexteto típico [7]
Samen met Francisco Canaro vormde hij in 1917 en 1918 een orkest met maar liefst 32 muzikanten om het carnaval in Teatro Opera in Buenos Aires te animeren. Dat werd de aanzet voor zijn orquesta típica.
Estribillista
Nog een belangrijke vernieuwing waarvoor Firpo tekende, bestond erin dat hij voor de eerste keer met een estribillista werkte, een zanger die slechts 1 strofe of refrein zingt. Daarmee liep hij jaren vooruit op de populariteit van de estribillistas vanaf 1926.
Hij deed de belangrijkste plaatsen zoals Armenonville [8] en Palais de Glace [9] aan, eerst met zijn gezelschappen daarna met zijn orkest. Het bracht hem, samen met zijn opnames, faam en rijkdom.
[5] – [9]
[5] Leopoldo Thompson geboren als Thompson, Ruperto Leopoldo (1890 BA – 1925) alias El Negro was gitarist en contrabassist en speelde onder meer bij Francisco Canaro, Francisco Lomuto en Roberto Firpo. [6] Tegenzang: antwoord in een reizang op een vorige zang. [7] Sexteto Típica: 1 pianist, 1 contrabassist, 2 bandoneonspelers en 2 violisten. [8] De Armenonville was een van de meest luxueuze cabarets in Buenos Aires tussen 1910 en 1920. Het was in de wijk Recoleta gelegen in het oosten van Buenos Aires aan de Río De La Plata. Het gebouw was gebouwd naar het voorbeeld van het Pavillon d’Armenonville dat nog steeds bestaat in het Bois de Boulogne in Parijs. [9] Het Palais de Glace in de wijk Recoleta in het oosten van Buenos Aires aan de Río De La Plata werd in 1910 geopend als schaatsbaan en een club voor de bourgeoisie. Het werd enkele jaren later overgekocht en omgebouwd tot een danszaal en werd de plek waar de high society bijeenkwam voor tango-evenementen. Veel van de grote tango-orkesten van de jaren 1920 zoals die van Francisco Canaro, Roberto Firpo en Julio De Caro passeerden er. Nu is het een tentoonstellingscentrum.
Rond 1930 kocht hij een hacienda en investeerde het meeste van zijn overige geld in vee. Volgens sommige bronnen trok hij zich terug uit de tangowereld maar zijn discografie toont aan dat hij opnames bleef maken. Het eerste jaar verdiende hij een miljoen peso maar het jaar erop verdronk het merendeel van zijn veestapel door de typische overstromingen van de Río Paramá. Hij zocht zijn geluk nog op de beurs maar zonder succes.
De carrière van Firpo verliep heel divers. Buiten zijn eigen orquesta típica trad hij vanaf de jaren ’30 ook op met kleine gezelschappen onder andere het Quinteto de Antes waarin Juan Cambareri, El Mago del Bandoneón speelde.
Ondanks het feit dat hij vandaag nog weinig op milonga’s wordt gespeeld, heeft hij bakens verzet. Velen na hem hebben zijn nummers vertolkt. Hij componeerde meer dan 100 nummers waarvan een hele boel walsen. Hij ging de studio in voor meer dan 2800 nummers. Helaas zijn er vandaag maar weinig van terug te vinden.
In 1959 stopt zijn professionele carrière en op 14 juni 1969 speelt zijn leven de laatste noot.
Hij speelde ook een rol in de ontwikkeling van ‘La cumparsita’. In april 1916 kwam de jonge Uruguayaan, Matos Rodríguez via een vriend met Roberto Firpo in contact en liet hem de bladmuziek van zijn compositie zien. Op dat moment speelde Firpo met zijn kwartet in Café La Giralda, het tangohart van Montevideo.
De maestro stemde ermee in het nummer te spelen maar maakte er een nieuwe versie van. In plaats van het ritme van een mars maakte hij er een tango van. Hij verwerkte er delen van zijn tango ‘La gaucha Manuela’ in en liet zich ook inspireren door ‘Miserere’ een opera van Giuseppe Verdi. Firpo speelde het nummer diezelfde nacht nog. Het werd meteen goed onthaald en nadien door heel wat orkesten overgenomen. Firpo bood vervolgens Rodríguez aan de tango samen te ondertekenen maar deze laatste weigerde resoluut en het is Firpo nooit gelukt om als medecomponist erkend te worden.
Vergelijk ‘La gaucha Manuela’ met ‘La cumparsita’ beluister
In 1907 componeerde hij ‘La Chola’ , ‘El compiche’ en ‘La gaucha Manuela’ en in 1913 behaalde hij zijn eerste succes met ‘Argañaraz’, ‘Sentimiento criollo’, ‘De pura cepa’ en ‘Marejada’. Het jaar erna verscheen ‘Alma de bohemio’, een nummer waarvan de romantiek afdruipt, één van zijn beroemde nummers. Nog enkele merkwaardige nummers zijn ‘Fuegos artificiales’ , ‘El amanecer’ en ‘La carcajada’ omdat hier met instrumenten geluiden worden nagebootst. Het ritme van de wals sprak hem fel aan en verwerkte hij in zijn nummers. Heel wat van zijn tangowalsen vonden weerklank in onder andere ‘Pálida sombra’ , ‘Horizonte azul’ , ‘Noche calurosa’ , ‘Ondas sonoras’ en ‘Noches de frío’.
Pianist, dirigent en componist. Geboren als Lomuto, Francisco Juan 24 november 1893 (Buenos Aires). Bijnaam: Pancho Laguna. Overleden 23 december 1950 (Tortiguitas prov. Buenos Aires).
Francisco Lomuto was de oudste zoon van Italiaanse migranten. Rosalía (madre) Narducci was Napolitaanse en werd pianiste. Víctor (padre) Lomuto, geboren in Calabrië, speelde viool. In de jaren ’80 van de 19de eeuw arriveerden ze in Buenos Aires. In 1888 trouwden ze en vestigden zich in de buurt van Parque de los Patricios. Het gezin telde tien kinderen: Angela, Francisco zelf, Elvira, Victor (hijo), Oscar, Rosalia (hija), Enrique, Blas, Héctor en volgens de ene bron nog een meisje, volgens de andere een jongen Pascual.
Van zijn moeder kreeg hij de eerste muzieklessen. Zijn broers hielden zich ook bezig met muziek: Víctor (hijo) speelde bandoneon en gitaar, reisde naar Europa en speelde met Eduardo Arolas, Manuel Pizarro en in het orkest van Bianco-Bachicha. Enrique was pianist en de eerste in de familie om voor publiek op te treden. Hij vormde een eigen orkest en nam verschillende platen op. Hij was de vader van bandoneonist, auteur en arrangeur Daniel Lomuto. Héctor ging een andere richting uit en vormde het gezelschap Héctor y su Jazz. Hij speelde lange tijd voor de radio, op ontelbare bals en realiseerde veel opnames. Een vierde broer Oscar was journalist en schreef enkele tangoteksten zoals ‘Nunca más’ een tango die Francisco componeerde.
Het was moeder Rosalia die al haar kinderen de eerste beginselen van muziek bijbracht. Francisco vervolgde pianostudies aan het conservatorium.
Francisco Lomuto was pianist bij verschillende gezelschappen zoals in 1916 bij een kwartet met bandoneonist Pedro Maffia en violisten Domingo Petillo en Bernardo Germino in Café Monterrey. Toen zijn vader stierf, verliet hij even de muziekwereld om als telegrafist bij Pacific Railway te werken en zo mee in het levensonderhoud van de familie te zorgen.
Zelf wou hij ook een orkest oprichten maar wachtte ermee tot het op punt stond. Daarom ging hij te rade bij zijn vriend Francisco Canaro. Die nam hem als “barato” in zijn orkest op wat betekende dat hij als stagiair mocht meespelen. Na een tijdje hield hij het voor bekeken en begon met zijn broer Enrique, die harmonica speelde, op te treden. Het duo kwam vaak aan bod op Radio Sudamericana, een van de eerste radiostations.
In 1922 vormde hij een sextet waarmee hij op het cruiseschip Cap Polonio optrad. Het Sexteto bestond uit bandoneonisten Manuel Pizarro en Pedro Polito, violisten Agesilao Ferrazzano, Miguel Tanga en Echeverri. Een jaar later trad hij op met een andere bezetting onder leiding van Pedro Maffia. Datzelfde jaar nog vormde hij een pianoduo met Héctor Quesada.
Lomuto stichtte in 1923 zijn eerste orkest en maakte er een jaar later zijn eerste opnames mee. Het pianowerk liet hij over aan broer Enrique. Zelf nam hij van toen af het dirigeerstokje in de hand. Voor de opnames werd een beroep gedaan op bandoneonist Ricardo Brignolo, violist Eduardo Armani, bandoneonist Minotto Di Cicco en de pianist Alberto Castellanos.
Toen Max Glücksmann in 1924 een tangowedstrijd uitschreef, werd Lomuto tweede. Zijn tango ‘Pa’ que te acordés’ op tekst van Andrés Lorenzo Seitún nam hij later met zanger Charlo op.
‘Pa’ que te acordés’ canta Charlo 1928-12-10 beluister
Hij dirigeerde 2 orkesten in het voorjaar van 1925: een om de carnavalvieringen in het theater Ópera te verzorgen en een voor zijn optredens in het Pabellón de las Rosas in Club Mar del Plata, een van de iconische plekken waar tango door de hogere kringen werd gedanst.
Bandoneonist Daniel Álvarez
In 1926 volgde de 16-jarige bandoneonist Daniel Álvarez, alias Sardina, Ricardo Brignolo op. Dankzij hem kreeg het orkest een persoonlijke uitstraling en meer ritme. Met ‘Cachadora’ behaalde ze succes. Muziek en tekst waren van Francisco zelf onder het pseudoniem Pancho Laguna.
‘Cachadora’ Francisco Lomuto, zang Charlo 1928 beluister
Bandoneonist Martín Darré
Martín Darré verving in 1933 Daniel Álvarez die zijn eigen orkest had opgericht. Als arrangeur zorgde Darré ervoor dat alle muzikanten aan bod kwamen.
Intussen had Fernando Díaz de plek van zanger Charlo (die later nog wel terugkeert) ingenomen en in 1935 debuteerde Jorge Omar tijdens een auditie die simultaan door drie radiozenders werd uitgezonden. Omar klonk goed in duo met Fernando Díaz en viel op met zijn expressieve soberheid en half-intieme toon. Soms zongen ook Dinah Lang (marchas) en Cerry Brian mee.
‘Caminito’ Francisco Lomuto, zang Cerry Brian en Jorge Omar 1935 beluister
‘Una puerta y una ventana’ (marcha) Francisco Lomuto, zang Dinah Lang 1936 beluister
‘El día que te fuiste’ (V) Francisco Lomuto, zang Fernando Diaz en Jorge Omar 1940 beluister
Het orkest bleef verschillende jaren actief en veranderde geregeld van bezetting. Vanaf 1943 waren Carlos Galarce, Alberto Rivera en Miguel Montero de zangers van dienst.
De laatste rondes
In 1947 toerde Lomuto door Spanje met zangeres Chola Luna, jammer genoeg werden er geen opnames gemaakt. Eens terug in Buenos Aires stelde hij een orkest samen dat als zijn beste wordt beschouwd en waarmee hij in 1949 in Brazilië optrad. Persoonlijk mis ik de blaasinstrumenten.
Nadien hervatte Lomuto zijn opnames met een nieuwe versie van ‘Muñequita’. Zijn laatste opname ‘Tarde’ en ‘Alma en pena’ maakte hij in oktober 1950. Op 23 december van datzelfde jaar overleed hij plotseling.
‘Muñequita’ canta Miguel Montero 1949-10-06 beluister
Francisco Lomuto realiseerde tussen 1922 en 1950 meer dan 950 opnames. Zijn orkest was een vaste waarde. Met zijn eenvoudige stijl en gemakkelijk ritme is de muziek uitermate geschikt om op te dansen. De meeste nummers onderscheiden zich door de voorlaatste noot te beklemtonen, klinkend als “POOM pm” in plaats van “pom POM” zoals bij de meeste andere orkesten.
Francisco Canaro en Franscisco Lomuto waren goed bevriend. Beide zetten zich in voor de rechten van schrijvers en componisten en richtten het SADIAC, een soort SABAM op.
Lomuto ging bij Canaro te rade die 5 jaar ouder was alvorens zelf een orkest op te richten. Charlo zong in beide orkesten. In navolging van Canaro liet hij zich door jazz beïnvloeden. Hij voegde andere instrumenten toe zoals een pistón, saxofoon, trompet of klarinet, de zogenaamde “sección cañerías”.
In de jaren ’30 werkten ze allebei in het theater om muzikale komedies te begeleiden. En benevens Canaro belandde ook Lomuto even in de filmwereld. ‘Melgarejo’ (1937) voerde zijn tango ‘No cantes ese tango’ op en ‘La rubia del camino’ (1938) betekende de premiere van ‘La canción del camino’ en ‘Muchachita de campo’.
Van links naar rechts: Julio De Caro, Francisco Canaro en Francisco Lomuto.
Als jongeling speelde hij in Casa de la Música nummers die klanten aanvroegen. Zijn eerste tango werd een succes wat hem aanzette tot meer componeren. Heel wat van zijn composities zijn ook door andere orkesten uitgebracht waaronder dat van Canaro en Roberto Firpo.
Het echte succes kwam pas met ‘Muñequita’ op tekst van Adolfo Herschel. De tango werd in 1918 in het theater door de bekende actrice María Luisa Notar [1] uitgevoerd. Francisco Lomuto componeerde een 80-tal nummers waarvan hij er 19 van een tekst voorzag.
‘Muñequita’ instrumentaal 1927 beluister cantan Alberto Hilarion Acuña y Fernando Díaz 1931-09-03 beluister canta Miguel Montero 1949-10-06 beluister
[1]
María Louisa Notar (1898 BA – 1868) was een Argentijnse actrice en tangozangeres, zus van Raquel Notar en dochter van Ortilia Rico, beiden ook actrices
Lijst composities Francisco Lomuto op volgende bladzijde.
Ángel D’Agostino werd geboren in de Calle Moreno. Muziek was een alledaagse familieaangelegenheid, zijn vader en ooms waren amateurmuzikanten. Thuis stond een piano die constant werd gebruikt omdat ook vrienden van de familie er kwamen op spelen. Zo oefende Alfredo Bevilacqua [1] zijn ‘Independencia’ bij Ángel thuis lang voor het nummer in 1910 officiëel uitkwam.
Volop levensgenieter onderhield hij hechte vriendschappen met onder meer leeftijdsgenoot en schrijver Enrique Cadícamo [2]. Als overtuigd vrijgezel hadden ze gezworen nooit te zullen trouwen. Het waren rokkenjagers en konden zich niet voorstellen zich ooit permanent te binden. Maar Cadícamo verbrak het pact en trouwde met een meisje van in de twintig. Sinds toen sprak D’Agostino geen woord meer met hem.
[1] Alfredo Antonio Bevilacqua, geboren 20 februari 1874(BA) – overleden 1 juli 1942. Hij was pianist, orkestleider en componeerde de tango’s ‘Emancipación’ en ‘Independencia’. [2] Domingo Enrique Cadícamo geboren op 15 juli 1900 (General Rodríguez prov. BA) – overleden 3 december 1999, was schrijver, dichter en componist. Hij gebruikte Rosendo Luna en Yino Luzzi als pseudoniem. Hij werkte mee aan meer dan 500 nummers.
Muziekloopbaan
Ángel begon op 6-jarige leeftijd piano te spelen. Na twee jaar privéles kende hij al een heel repertoire klassieke muziek. Vervolgens ging hij naar het conservatorium. Op 12-jarige leeftijd vormde hij een trio met zijn buurtgenoten Ernesto Bianchi [3] en Juan D’Arienzo. Zijn middelbare studies brak hij af om zich uitsluitend met muziek bezig te houden. Vanaf 1914 gaf hij pianoles aan aristocratische jongedames en sommige families huurden hem in om hen ’s avonds te entertainen. Intussen verving hij soms de te dronken pianist van het jazzorkest in een nachtclub. Zijn jeugdvriend D’Arienzo speelde daar ook.
D’Agostino sloot zich in 1920 bij het orkest van Juan Maglio aan waar hij de smaak van de tango te pakken kreeg. Later vormde hij samen met violist Agesilao Ferrazzano [4] het Quinteto de Maestros. Hij beschreef Ferrazzano als de beste violist die de tango ooit had gekend. In 1926 richtte Juan D’Arienzo zijn orkest op waarin D’Agostino pianist van dienst was. Ondertussen was D’Agostino actief in het theater. Hij was de eerste die de stomme film met een orkest begeleidde. Eind jaren ’20 maakte hij zijn debuut op Radio Prieto met een eigen programma waarin hij elke week een figuur uit de muziekwereld uitnodigde. Zo ontmoetten Francisco Fiorentino en Aníbal Troilo elkaar er voor het eerst.
[3] en [4]
[3] Ernesto Bianchi, geboortedatum onbekend – overleden 31 januari 1944, was bandoneonspeler, orkestleider en componeerde 3 tango’s. Zijn bijnaam was Lechuguita. [4] Agesilao Francisco Ferrazzano, geboren 31 juli 1897 (Buenos Aires) – overleden 18 januari 1980, was violist, orkestleider en componist. Hij werkte samen met Canaro, Lomuto, Fresedo en Firpo.
Begin jaren ’30 vormde D’Agostino een orkest dat zich uitsluitend aan tango wijdde met daarin oorspronkelijk bandoneonist Aníbal Troilo en zanger Alberto Echagüe, die later bij D’Arienzo zal zingen. In 1932 ontmoette hij zanger Ángel Vargas waarmee hij in theater en op radio samenwerkte.
Los Ángeles
In 1940 kreeg het orkest een platencontract en werden beide Ángeles als duo gepromoot op radio El Mundo. Alfredo Attadía [5] en Eduardo del Piano [6] zorgden voor het arrangement. Publiciteit was overbodig, de magie van Los Ángeles stond garant voor succes. Het handelsmerk van D’Agostino’s orkest is zijn delicate eenvoud en strak opgebouwde repertoire door iedereen herkenbaar. Samen namen de Ángeles 94 nummers op waar onder ‘Tres esquinas’ , ‘Agua florida’ en ‘Mano Blanca’. Ángel Vargas verliet het orkest echter in 1946 en zou er later zelf een oprichten.
’Dice un refrán’ canta Ángel Vargas 1942 beluister
[5] en [6]
[5] Alfredo Adolfo Attadía, geboren 9 januari 1914 (Buenos Aires) – overleden 30 januari 1982, was bandoneonist, orkestleider en componist. Zijn bijnaam was El Bandoneón de Oro. [6] Eduardo Del Piano, geboren 14 mei 1914 (Buenos Aires) – overleden 21 december 1987, was bandoneonist, orkestleider en arrangeur. Hij componeerde 10 tango’s.
D’Agostino ging verder met andere zangers, hoewel geen enkele de populariteit of het aantal opnames met Vargas kon overtreffen. De eerste was Tino García in 1947, die tot aan het einde van de orkestcarrière bleef. Andere zangers waren Rubén Cané, Ricardo Ruiz, Roberto Alvar en Raúl Lavié.
‘Ábranse las pulperías’ canta Tino Garcia 1952 beluister
D’Agostino verteld over zichzelf: “Ik ben een milonguero, dat ben ik altijd geweest, in de beste zin van het woord. Ik was een goede danser en vergezelde de besten, zoals El Mocho en La Portuguesa, en ook Casimiro Aín. Maar El Mocho was de beste, hij was een cajetilla (elegante) die geen barokke choreografie nodig had, hij was het meest authentieke en meest verzorgd beeld van een milonguero. Dus vormde ik mijn orkesten aan de hand van twee concepten die ik nooit heb losgelaten: respect voor de melodische lijn en ritmische accentuering om de dans te vergemakkelijken. Als de zanger op het toneel verschijnt en de muzikant uit de schijnwerpers verdwijnt, wordt het orkest zo opgesteld dat muziek en zang de mogelijkheid van de danser niet onderbreken. daarom moest de zanger een extra instrument worden, een bevoorrecht maar geen apart instrument”.
In 1962 trok D’Agostino zich terug van het podium, maar zijn kwalijke gewoontes behield hij tot op het laatst. Hij was een fervent pokeraar en bleef zich in het nachtleven storten. Op 16 januari 1991 stierf Ángel D’Agostino als verstokt vrijgezel, maar vergezeld van muziek en vrienden, en de herinneringen aan de vele vrouwen die zijn leven hebben bevolkt, waaronder de allerberoemdste Argentijnse van de twintigste eeuw Eva Perón.
Ángel D’Agostino componeerde een 20-tal tango’s waaronder enkele milonga’s dikwijls in samenwerking met zijn bandoneonspeler Attadía. Ongeveer de helft kreeg een tekst van zijn jeugdvriend Cadícamo. Alle nummers op deze pagina zijn door D’Agostino gecomponeerd. Hier volgen nog milonga’s.
‘Entre copa y copa’ (M) medecomponist Alfredo Attadía, canta Ángel Vargas 1942 beluister
’Así me gusta a mí’ (M) canta Ángel Vargas 1942 beluister
’El Morocho y el Oriental’ (M) tekst Enrique Cadícamo, canta Ángel Vargas 1946 beluister
Volledige lijst met composities op volgende pagina
Schrijver, scenarist, vertaler en journalist. Geboren 7 juni 1900 (São Paulo, Brazilië) Le Pera Sorrentino, Alfredo. Overleden 24 juni 1935 (Medellín, Colombia).
Alfredo Le Pera is ongetwijfeld een van de meest romantische dichters in de tango. Le Pera gaf de tango poëzie mee die iedereen kon begrijpen zonder de essentie van de Porteño te verliezen: een macho die de versiertoer opgaat en van het leven geniet. Hij maakte van Carlos Gardel een superster. Helaas werd het succesverhaal abrupt afgebroken door een vliegtuigongeval waarin ze beiden het leven lieten.
Maria Sorrentino Moreno, een Napolitaanse, en Alfonso Francisco de Paula Le Pera uit Cosenza (Calabrië) vestigden zich in 1898 in Buenos Aires om een bedrijf op te zetten dat Italiaanse olijfolie verkocht. In 1900 verhuisden ze om commerciële redenen naar Brazilië. In Sao Paulo beviel Doña María van Alfredo. Twee maanden later keerden ze terug naar Buenos Aires waar ze hem als staatsburger lieten registreren. Later kregen ze nog twee kinderen: Elvira werd pianiste en José dokter.
De kleine Alfredo liep zijn basisschool in de wijk San Cristóbal waar de familie woonde en volgde later college in de naburige wijk Constitución. Daar schreef hij een werk over Spaanse literatuur dat indruk maakte op zijn leraar Vicente Martínez Cuitiño [1], een bekend toneelschrijver en theatercriticus.
Deze laatste introduceerde Alfredo in de literaire kringen van die tijd en via hem mocht Le Pera bij de krant Última Hora als medewerker van de theaterpagina aan de slag. Intussen studeerde Alfredo geneeskunde om zijn ouders een plezier te doen maar daar stopte hij later mee om zich volledig aan de theaterjournalistiek te wijden, ook bij andere redacties. Bij El Telégrafo nam Le Pera zijn grote vriend, de journalist Manuel Sofovich [2] onder zijn hoede.
[1] en [2]
[1] Vicente Martínez Cuitiño (1887, Uruguay – 1964 Buenos Aires) was advocaat, doctor in de rechten en sociale wetenschappen, journalist en leraar en dramaturg. Verschillende van zijn toneelstukken werden met veel lof geprezen. In 1906 had hij een gedichtenbundel gepubliceerd met de titel Rapsodias Paganas. [2] Manuel Sofovich (1900, Buenos Aires – 1960) was een Argentijnse journalist en scenarioschrijver.
Als journalist en theaterrecensent mengde Le Pera zich al snel in het theatermilieu. Hij kon zijn werk voor de kranten combineren met secretariaatswerk voor theatergezelschappen. Vanaf 1923 was hij assistent van Los Podestá [3] en het gezelschap van Tomás Simari [4].
Le Pera, een goede kenner van wat er achter de schermen gebeurde, deed de uitvoerende en administratieve taken zeer efficiënt. Later herhaalde hij dit voor Carlos Gardel. Om wat extra inkomsten te verwerven, begon hij rond 1928 met vrienden scènes te schrijven voor de revues van het Teatro Sarmiento.
Onder de acteurs van het gezelschap van Sarmiento waren Enrique Santos Discépolo [5] en Carmen Lamas [6] met wie hij een tijdje een romance had. Van de danseressen zou Aida Martínez voor altijd de liefde van zijn leven blijven. Ze ontmoetten elkaar in Buenos Aires en werden verliefd. Aída werd ziek en Alfredo vergezelde haar naar Zwitserland voor een operatie, maar zes maanden later overleed ze.
Toen Le Pera in 1927 in Zwitserland was, maakte hij van die gelegenheid gebruik om ook in Frankrijk banden te smeden. Hij kocht er gebruikte decors en kostuums op en maakte kennis met de wereld van de Franse stomme film en de eerste geluidstests.
Le Pera sprak naast Italiaans en Spaans ook Frans, Engels en Duits waardoor hij ook Franse en Duitse filmposters kon vertalen. In Buenos Aires doken de eerste geluidsfilms pas rond 1929 op. Tussen 1927 en 1930 schreef Alfredo naast zijn werk voor kranten ook toneelstukken. Zijn eerste werk ‘La sorpresa del año’ ging eind 1927 in première en voor Teatro Sarmiento stak hij later beroemd geworden revues in elkaar.
Begin jaren ’30 regisseerde hij voor het eerst een theaterstuk.
[3] -[6]
[3] Los Podestá waren een groep Argentijns-Uruguayaanse circusartiesten die de basis legden voor de Argentijnse en Uruguayaanse theaters en het Criools circus. Het waren kinderen van de Genuese immigranten Pedro Podestá en María Teresa Torterolo. [4] Tomás Simari (1897, BA – 1981, BA) was een Argentijnse film-, radio-, theater- en televisieacteur en had een uitgebreide artistieke carrière. Hij was de broer van collega-acteur Leopoldo Simari en echtgenoot van actrice Adelaida Soler. [5] Enrique Santos Discépolo (1901, BA – 1951, BA). Hij was dichter, componist, acteur en schrijver van theaterstukken. [6] Carmen Lamas (1904, Spanje – 1990, BA) was tangozangeres, vedette en de eerste Spaanse actrice die die carrière maakte in Argentinië.
Eind 1930 reisde Le Pera als secretaris van een gezelschap waarin Carmen Lamas en Tania [7] de hoofdrollen speelden, naar Santiago de Chile. Tania’s man en manager Enrique Santos Discépolo was er ook bij. In Santiago creëerden ze samen ‘Carillón de la Merced’, een iconische tango. Discépolo componeerde de muziek en Le Pera voegde er meteen tekst aan toe.
Discépolo’s vrouw Tania oogstte in 1931 veel succes met de première van het lied in het Victoria Theater in Santiago. Datzelfde jaar nam Orquesta Típica Victor de tango op met zanger Ernesto Famá. Met slechte één werk op de teller werd Le Pera op slag beroemd.
Hij reisde af naar Europa om er te werken als criticus voor muziektijdschriften. In Londen kreeg hij de kans om zijn idool Alfred Hitchcock te interviewen. In Parijs werkte hij als filmvertaler, maar zijn journalistieke werk gaf hij evenmin op. Interviews met vedetten als Josephine Baker, René Clair en Gaby Morlay[8] stuurde hij door naar Argentinië. Na een paar maanden in Berlijn begon zijn samenwerking met Carlos Gardel in Parijs.
[7] – [8]
[7] Tania was de artiestennaam van Ana Luciano Divis (1908,Toledo, Spanje – 1999 Buenos Aires), was een Spaanse actrice en tangozangeres die het grootste deel van haar carrière in Argentinië doorbracht. [8] Joséphine Baker, bij haar geboorte geregistreerd als Freda Josephine McDonald (1906,St. Louis, Missouri, VS – 1975, Parijs) was een in Amerika geboren Franse danseres, zangeres en actrice. Ze was een Franse spionne in de strijd tegen Nazi-Duitsland en een activiste voor zwarte rechten. Baker werd een internationaal muzikaal en politiek icoon. Ze kreeg bijnamen als de Bronzen Venus, de Zwarte Parel, de Creoolse Godin, de Sirene van de Tropen en vooral de Ebben Venus. René Clair, geboren als René Chomette (1898, Parijs – 1981), was een Franse filmmaker en schrijver. Hij kreeg een Oscarnominatie voor ‘Porte des Lilas’. Gaby Morlay (1893, Angers – 1964, Nice) was een Franse actrice. Ze verscheen in ruim honderd lange speelfilms, vooral in de jaren ’30 tot ’50.
De twee heren waren elkaar al in café’s in Buenos Aires tegen het lijf gelopen. Rond 1923 had Simari ze aan elkaar voorgesteld maar pas in1932 begon de samenwerking tussen Le Pera en Carlos Gardel echt. Gardel had al kortfilms en een langspeelfilm op zijn conto en was op zoek naar advies voor scripts. Hij vroeg Edmundo Guilbourg om hulp maar die had te veel werk en stelde Le Pera voor.
Frankrijk
Guibourg nodigde hen uit in Café La Rochefoucauld, destijds een beroemd artiestencafé. Daar gingen ze akkoord om samen te werken. In het najaar begon het filmen bij Paramount. In deze fase vormde Le Pera met Gardel en Mario Batistella [9] een uitstekend artistiek trio. Le Pera was samen met Mario Battistella verantwoordelijk voor de aanpassing van een Amerikaans scenario van ‘Espérame’ dat vertaald was naar lamentabel Frans.
In eerste instantie vond Battistella dit puur Amerikaanse concept belachelijk en weigerde ook maar iets aan het script te veranderen. Le Pera nam de taak op zich om dit aan te passen. Uiteindelijk schreef Battistella mee aan de liedteksten voor de film, onder meer voor ‘Estudiante’ en ‘Me da pena confesarlo’.
‘Estudiante’ orq. Don Aspiazu canta Carlos Gardel 1933 beluister
‘Me da pena confesarlo’ Riverol / Vivas / Barbieri / Pettorossi canta Carlos Gardel 1933 beluister
Tijdens de opname van ‘Espérame’ schreef Le Pera het plot en de dialogen uit voor een andere film: ‘Melodía de arrabal’. Het hoofdpersonage paste beter bij de persoonlijkheid van Gardel en de film werd een succes ook, buiten de Spaanssprekende wereld. Le Pera bleef pendelen tussen Parijs en Londen om vertaalwerk voor films te doen. In april 1934 stak hij over naar New York om weer met Gardel samen te werken. Ze richtten Éxito Corporation op met Le Pera als vice-president.
Maar het toppunt van hun carrière hadden ze nog niet bereikt.
[9]
[9] Mario Battistella (1893, Verona, Italië – 1968) was een Italiaanse tekstschrijver, vertaler, toneelschrijver en artistiek vertegenwoordiger. Hij was auteur van onder andere de tango’s ‘Cuartito azul’ en ‘Remembranza’. Hij was een medewerker en artistiek adviseur van Carlos Gardel.
New York
Met hun vennootschap werkten Gardel en Le Pera weer samen met Paramount. ‘Cuesta abajo’ werd op Long Island in de tweede helft van mei 1934 gefilmd. Le Pera had de leiding over het plot, de dialogen en de teksten maar volgens zijn broer José werd de film door productieleider en de regisseur Louis Gasnier [10] verminkt. De typisch Creoolse noot en dramatische kenmerken verdwenen onder invloed van de Amerikaanse smaak. Voor deze film schreef het duo onder meer ‘Mi Buenos Aires querido’ en het titelnummer ‘Cuesta abajo’ die telkens op plaat uitkwamen.
Tijdens de opname van hun volgende film ‘El tango en Broadway’ kwam het tot onenigheid tussen Le Pera en Louis Gasnier die uiteindelijk vertrok. Le Pera bleef verscheidene taken op zich nemen: hij wierf artiesten aan, onderhandelde over contracten, onderhield relaties met andere maatschappijen en opende commerciële wegen voor de distributie van de films in Spaanstalige landen. In 1935 produceerde Le Pera nog films met Gardel zoals ‘El día que me quieras’ en ‘Tango bar’.
‘Cuesta abajo’ orq. Terig Tucci 1934-07-30 ‘El día que me quieras’ orq. Terig Tucci 1935-03-19
[10]
[10] Louis Joseph Gasnier (1875, Parijs – 1983) was een Franse filmregisseur. Gasnier werkte aanvankelijk in het theater. Hij emigreerde naar de VS waar hij naam maakte met zijn werk aan verschillende prestigieuze producties, waaronder de serie The Perils of Pauline.
De laatste tournee
In maart 1935 vertrokken ze op promotietournee. Voor ze New York verlieten, namen Gardel en Le Pera een propagandaplaat op om de tournee door Latijns-Amerika aan te kondigen. Le Pera reisde met Gardel naar Puerto Rico, Venezuela, Aruba, Curaçao en Colombia waar ze door een mensenmassa werden ontvangen. De Colombianen zagen hen het laatst: beide heren en bijna hun hele entourage kwamen om bij een vliegtuigongeluk in Medellín.
Lucio Demare werd in 1906 als zoon van Otilia Riccio en violist Domingo Demare in de Abasto-wijk geboren. Zijn vader speelde in de jaren ’20 in verschillende orkesten en vanaf 1926 bij dat van Francisco Canaro dat toen op tournee ging door Frankrijk. Don Domingo nam zijn vrouw en beide zonen Lucio en Lucas [1] mee. Allebei studeerden ze piano bij de Italiaanse maestro Vicente Scaramuzza [2].
Lucio begon zijn professionele carrière bij het orkest van bandoneonspeler Nicolás Verona. Francisco Canaro vroeg hem tijdens zijn tournee in 1926 de leiding van zijn orkest over te nemen want zelf vertrok hij naar New York.
[1] en [2]
[1] Lucas José Demare (1910 – 1981) was de jongere broer van Lucio.Hij keert na enkele maanden terug naar Buenos Aires en leert er bandoneon. Later werd hij filmregiseur. [2] Vincenzo Scaramuzza geboren in 1885 (Crotone, It.) en overleden in 1968 (Buenos Aires) was een Italiaans-Argentijnse pianist, componist en pianoleraar, een van de grondleggers van de Argentijnse pianotraditie. Horacio Salgán, Orlando Goñi en Osvaldo Pugliese waren leerling bij hem.
Later vormde Lucio samen met Agustín Irusta en Roberto Fugazot, zangers bij Canaro, het Trio Argentino. Ze debuteerden in Teatro Maravillas in Madrid. Het trio nam deel aan enkele films zoals ‘Boliche’. In Barcelona namen ze verschillende platen op, onder meer ‘Capriche de amor’ met violist Sam Reznik en ‘Mi musa campera’ met een door Lucio geleid orkest.
‘Dandy’ Lucio Demare (solo) canta Agustín Irusta 1928 beluister
‘Adiós al piano’ instrumentaal, Trio Argentino 1934 beluister
Het trio maakte twee succesvolle tournees door Latijns Amerika, keerden naar Europa terug om zich in 1936 definitief in Buenos Aires te vestigen. Net als zijn broer ging Lucio in cinemazalen spelen. Dit werk wisselde hij af met sporadische optredens van het Trio Argentina. Met Francisco Canaro werkte hij nog samen in de komedie ‘Mal de amores’ en ook als pianist in diens orkest.
In 1938 vormde hij een eigen ensemble samen met Elvino Vardaro. Ze traden voor Radio Belgrano op met Juan Carlos Miranda als zanger.
Eind jaren ’30 vervolgde hij zijn carrière als orkestleider met verschillende zangers: Juan Carlos Miranda (1938-1942), Roberto Arrieta (1942), Raúl Berón (1943) en Horacio Quintana (1944-1945) en nog anderen.
‘Más álla de mi rencor’ canta Carlos Bernal 1945 beluister
Demare’s orkest was succesvol maar zelf was hij niet commercieel ingesteld. Minder dan 100 nummers zijn op plaat gezet. Vanaf de jaren ’50 spitste hij zich meer op solowerk toe, soms in gezelschap van Ciriaco Ortiz of Máximo Mori in nachtclubs.
In 1936 schreef Demare muziek voor de film ‘Ya tiene comisario el pueblo’. Hij werkte daarvoor samen met Francisco Canaro en diens productiehuis. Zijn broer Lucas werd dikwijls ingehaald als regisseur onder meer voor ’Dos amigos y un amor’. Lucio bleef muziek componeren voor de film, waaronder ‘Prisioneros de la tierra’ en Lucas regisseerde in 1942 ‘El viejo Hucha’ waarin Lucio’s bekende tango ‘Malena’ in première ging. Hetzelfde jaar componeerde Lucio muziek voor ‘La guerra gaucha’ die zijn broer regisseerde. Het script voor deze film schreven Homero Manzi en Ulyses Petit de Murat. De film won verschillende prijzen en wordt als een van de beste Argentijnse films ooit beschouwd. Tot 1971 bleef hij soundtracks voor films maken met verschillende regisseurs, maar meestal met zijn broer.
Zijn vroege werk wordt vaak vergeleken met dat van Juan Carlos Cobián en Enrique Delfino. Hun “tango romanza” bereikte met Francisco De Caro een hoogtepunt en raakte bekend dankzij Lucio Demare en Joaquín Mauricio Mora. ‘Mañanitas de Montmartre’ , ‘Capricho de amor’ en ‘Dandy’ componeerde hij tussen 1926 en 1932 en kenmerken zich door hun verheven lyriek en melodische rijkdom.
Later in de jaren ’40 componeerde hij een hele reeks nummers op verzen van Homero Manzi onder meer ‘Malena’ , ‘Negra María‘ , ‘Mañana zarpa un barco’ , ‘Solamente ella’ , ‘Tal vez será mi alcohol’ en ‘Telón’ die de tango van de jaren veertig schetsen. Demare zei dat Manzi gedichten bedacht door eerst de titel te kiezen en dan met de tekst verder te gaan. Zelf vond Lucio dat hij een schrijvende musicus was. Toen Manzi hem de tekst van ‘Malena’ bezorgde, schreef Demare er op café muziek in een kwartier tijd voor, zonder één woord te veranderen.
Lucio Demare componeerde meestal op basis van geschreven teksten. In 1931 stond hij tijdens een slapeloze nacht op. Hij snuisterde wat tussen boeken toen hij ‘Por el camino adelante’ van Joaquín Dicenta vond. Hij zette er muziek op en het nummer werd in Spanje een hit. Alle nummers van de beluisterlinks op deze pagina zijn door Demare gecomponeerd.
’Negra María’ (Candombe) canta Juan Carlos Miranda 1941 beluister
‘Malena’ tekst Homero Manzi, orquesta canta Juan Carlos Miranda 1942 beluister
‘Tal vez será mi alcohol / Tal vez será tu voz’ canta Raúl Berón 1943 beluister
Lijst composities Lucio Demare op volgende bladzijde.
Pianist, componist, orkestleider en muziekpedagoog. Geboren als Piana, Sebastián op 26 november 1903 (Buenos Aires). Overleden op 17 juli 1994 (Buenos Aires).
Sebastián Piana was een zoon van een Italiaanse emigrantenfamilie uit de regio Piëmonte die in 1890 naar Argentinië vertrok. Zijn vader die ook Sebastián heette, was kapper. Vader speelde ’s avonds in cafés in de buurt piano, gitaar en mandoline en was bevriend met Pedro Maffia en Adolfo Pugliese, vader van Osvaldo.
Zoon Piana leerde, zeven jaar oud, viool bij oom Pedro Bertolero maar het instrument lag hem niet. Twee jaar later nam hij pianoles bij Antonio D’Agostino [1] en behaalde in 1920 een diploma als pianoleraar. Hij specialiseerde verder bij Ernesto Drangosch [2] tot aan diens dood in 1925. Vanaf 1917 speelde hij piano in theaters en bioscopen.
[1] en [2]
[1] Antonio D’Agostino gaf ook les aan Osvaldo Pugliese. [2] Ernst Otto Paul Richard Drangosch (1882 – 1925) was een Argentijns pianist en componist van klassieke muziek.
Op 17-jarige leeftijd begon hij ook tango’s te componeren zoals ‘Sabor popular’ en ‘El hombre orquesta’. José González Castillo [3], een goede vriend van zijn vader, moedigde hem daartoe aan.
[3]
[3] José González Castillo alias Juan de León geboren 25 januari 1885 (Rosario, Arg.) – overleden 22 oktober 1937 (Buenos Aires) was toneelschrijver, theaterregisseur, filmlibrettist en tangotekstschrijver onder meer van ‘Griseta’. Cátulo Castillo was zijn zoon.
Piana – Castillo
Samen met José González Castillo schreef hij in 1922 ‘Sobre el pucho’. Hiermee nam hij deel aan een wedstrijd georganiseerd door Tango Cigarettes. Uit 136 deelnemers won hun werk de tweede prijs. ‘Sobre el pucho’ werd spoedig door Carlos Gardel op plaat gezet en was het eerste succes van Piana. In 1925 ontstond uit een nieuwe samenwerking met José González Castillo en diens zoon Cátulo Castillo [4] ‘Silbando’. Azucena Maizani bracht de tango in première in “Teatro San Martín”. Later schreven ze nog een 10-tal nummers.
‘Sobre el pucho’ 1922 tekst José González Castillo, Carlos Gardel con Guitarras beluister
[4]
[4] Cátulo Castillo geboren als González Castillo, Ovidio Cátulo 6 augustus 1906 (Buenos Aires) – overleden 19 oktober 1975 (Buenos Aires) was een bekend Argentijns tangodichter, orkestleider, docent en componist. Hij was componist van de beroemde tango’s: ‘Organito de la tarde’ en ‘El aguacero’ met teksten van José González Castillo, zijn vader. Hij was ook bokser.
Piana – Maffia
Vanaf 1923 schreef hij ook muziek met Pedro Maffia, later zijn schoonbroer. Samen richtten ze een muziekacademie op, waar Piana’s lerarencarrière begon. Als componist en pedagoog had hij een eigen kijk op de tango en bracht hij het wegkwijnende milonga-genre weer tot leven.
Sebastián Piana beweerde met name dat de habanera [5] zo ongeveer de moeder van de tango was en de milonga eerder tot het platteland behoorde. Later kwam de milonga met improviserende zangers begeleid door gitaar, naar de stad. Carlos Gardel pikte hem daar op. Piana gaf naar eigen zeggen de “milonga porteña” vorm mede dankzij Pedro Maffia. Piana speelde met tussentijden, jawel, piano in het orkest van Maffia en samen componeerden ze een tiental nummers maar geen milonga’s, ten minste officieel toch.
[5]
5] Habanera is een op Afrikaans ritme gebaseerde muziekstijl en -dans die rond 1830 in La Habana (Cuba) heeft ontwikkeld. De muziek bezit een eigen karakter omdat accenten niet op de verwachte maat vallen.
Piana – Manzi
Piana ontmoette Homero Manzi in 1926. Homero Manzi bekende dat hij de milonga niet begreep maar toch schreef hij een tekst voor ‘Milonga sentimental’, de eerste bekende “milonga porteña” . Het duo ging verder met ‘Milonga del novecientos’ (1933), ‘Milonga triste’ (1936) en ‘Milonga de los fortines’ (1937). De samenwerking hield niet op met milonga’s. De walsen ‘Esquinas porteñas’ , ‘Paisaje’ en de tango ‘El pescante’ waren ook van hun hand.
Hij woonde allerhande conferenties bij en bracht verslag over populaire muziek uit. Ook werd hij leraar aan het Conservatorio Municipal Manuel de Falla en gaf koorzang aan middelbare scholen. Verder was hij voorzitter van de Academia Porteña del Lunfardo.
In 1934 maakte hij deel uit van het ensemble Los 5 Ases Pebeto, met bandoneonisten Ciriaco Ortiz, Pedro Maffia, Pedro Laurenz en Carlos Marcucci.
Sebastián Piana schreef ook filmmuziek onder meer voor ‘Sombras porteñas’ (1936) samen met Pedro Maffia. Voor ‘El último payador’ (1950) werkte hij met Homero Manzi samen.
In 1940 stichtte hij het Orquesta Típica Candombe waarin hij tambores introduceerde in tango’s en milonga’s.
Piana componeerde muziek voor theater, ballet, harmonieorkesten en kerkmuziek, alles samen een 500 werken.
Hij werkte niet als musicus, hij was het zonder meer. Of zoals zijn neef – journalist – Fernando Piana citeerde:
“No seguía una rutina para componer. A veces componía la música primero, y otras, hacía la música en base a la letra. Estaba absolutamente tomado por la música, le costaba disociar su lugar de músico de actividades como comer y dormir. Sebastián era un músico tiempo completo, tenía inspiración momentánea y contracción al trabajo”.
Hij bleef piano spelen, componeren en les geven tot het laatste moment. In 1994 overleed hij op 90 jarige leeftijd, een indrukwekkend werk achterlatend.
Dichter, tekstschrijver, journalist, politicus, scenarist en filmregisseur. Geboren 1 november 1907 (Añatuya, Santiago del Estero) als Manzione, Homero Nicolás. Bijnamen: Arauco en Barbeta. Overleden 3 mei 1951 (Buenos Aires)
Homero Nicolás Manzione, later Manzi genoemd, werd in 1907 als vijfde van negen kinderen geboren. Zijn moeder Ángela Prestera was Uruguayaanse en vader Luis Manzione een bescheiden Argentijns landeigenaar.
In zijn jongste jaren groeide hij in Añatuya op, een stad in de provincie Santiago del Estero [1]. Negen jaar oud nam zijn moeder hem mee naar Buenos Aires terwijl zijn vader in Añatuya bleef. Enkel zijn vakantie bracht hij nog in zijn geboortestad door. Homero ging met een van zijn broers op internaat in de wijk Pompeya en raakte vertrouwd met de cultuur van de buitenwijken. In onder meer in zijn tango’s ‘Barrio de tango’ en ’Sur’ komt dit duidelijk tot uiting.
Niettemin benadrukte Manzi zijn verbondenheid met zijn geboortestreek en haar inlandse bevolking. Soms ondertekende hij zijn werk met het pseudoniem Arauco [2]. Op zeer jonge leeftijd sloot hij zich bij de Unión Cívica Radical [3] aan. Zijn verblijf in Pompeya inspireerde hem in zijn latere tangoteksten. Hij was ook een fanatieke fan van Club Atlético Huracán, een sport- en voetbalclub in de buurt.
Op 24-jarige leeftijd trouwde hij met Casilda Iñiguez. In maart 1933 kregen ze een zoon, Acho.
[1] – [3]
[1] Santiago del Estero met gelijknamige hoofdstad is een van de 23 provincies van Argentinië, gelegen in het noorden van het land. [2] Arauco verwijst naar het rebelse karakter van de oorspronkelijke bevolkingsgroep, de Mapuche. [3] De Unión Cívica Radical (UCR) is een politieke partij in Argentinië die op 26 juni 1891 werd opgericht door Leandro N. Alem. In de loop van haar geschiedenis heeft zij verschillende gedaanten en breuken gehad en heeft zij het land 10 presidenten geleverd. De UCR bracht groepen samen met verschillende radicale ideologieën.
Theater
Als tiener regisseerde en acteerde hij in plaatselijke theaters maar schreef er ook liedjesteksten voor. De eerste tekst die bewaard is gebleven ‘¿Por qué no me besas?’ schreef hij in 1922.
‘Porque no me besas’ (V) Ignacio Corsini met gitaarbegeleiding 1926 beluister
In 1926 raakte hij bevriend met pianist-componist Sebastián Piana en Cátulo Castillo [4], een andere opmerkelijke schrijver en componist. Door hun invloed, en vooral van schrijver José González Castillo [4], vader van Cátulo, legde hij zich op literatuur toe. Allemaal waren ze lid van de Grupo de Boedo, in de jaren ’20 een informele avant-garde kunstenaarsgroep die werd gekenmerkt door zijn sociale thema’s en linkse ideeën.
Cátulo Castillo, Homero Manzi, Sebastián Piana en Pedro Maffia
Na een korte carriére in de journalistiek werkte Manzi tot 1930 als leraar literatuur. Wegens zijn militante steun aan de ten val gebrachte Hipólito Yrigoyen die opkwam voor de armen, en zijn activistische rol bij de Universitaire Hervorming werd hij door de regering voor kort gevangen gezet en als leraar ontheven. Van toen af wijdde hij zich volledig aan de kunst.
[4]
[4] Cátulo Castillo geboren als González Castillo, Ovidio Cátulo 1906 (Buenos Aires) – overleden 1975 (Buenos Aires) was een bekende Argentijnse tangodichter, orkestleider, docent en componist. Hij was componist van de beroemde tango’s: ‘Organito de la tarde’ en ‘El aguacero’ met teksten van José González Castillo, zijn vader. Hij was ook bokser. José González Castillo alias Juan de León, geboren 1885 (Rosario, Arg.) – overleden 1937 (Buenos Aires) was toneelschrijver, theaterregisseur, filmlibrettist en tangotekstschrijver onder meer van ‘Griseta’. Cátulo Castillo was zijn zoon.
Homero Manzi verliet in 1935 de Unión Cívica Radical en richtte mee het FORJA [5] op, een beweging die ijverde tegen de invloed van het internationale kapitaal. Manzi bekritiseerde het regeringsbeleid tijdens de Década Infame [6] en zei over zijn geboortestreek dat Santiago del Estero geen arme provincie was, maar een verarmde provincie. Zijn acties leverden hem verbanning van de rechtenfaculteit op. Na de Década Infame kwam Juan Perón aan de macht en Manzi zwichtte voor diens nationalistisch populisme en nam afstand van het radicalisme. Hij deed in 1947 een toespraak op Radio Belgrano met als titel “Tablas de sangre del Radicalismo”.
[5] en [6]
[5] FORJA: Fuerza de Orientación Radical de la Joven Argentina, een beweging die pleitte voor een terugkeer naar de federalistische principes van de grondwet, en tegen de belangen van het internationale kapitaal. [6] de Década Infama begon op 6 september 1930 met de militaire staatsgreep die de radicale president Hipólito Yrigoyen ten val bracht, er vonden tussenin verkiezingen plaats maar er was veel corruptie. De periode eindigde in 1943 met de militaire staatsgreep die de conservatieve president Ramón Castillo ten val bracht.
Hij schreef teksten voor muziek van de meest uiteenlopende componisten uitgevoerd door diverse orkesten en zangers. Hij was zeer goed bevriend met Aníbal Troilo, samen ontwierpen ze een 5-tal nummers onder meer ‘Barrio de tango‘ , ‘Romance de barrio‘ (V) en ‘Sur’ .
Met zijn zoon Acho bedacht hij in 1948 ‘El último organito’. Hij schreef ook nieuwe teksten op de tangowalsen ‘Desde el Alma’ van Rosita Melo en ’Frou frou’ van Henri Chateau.
Maar zowat een derde van zijn tangoteksten zijn geschreven op muziek van Sebastián Piana.
Piana – Manzi
De folkloristische genres stimuleerden hem, en samen met Sebastián Piana bracht hij het kwijnende milonga-genre weer onder de aandacht. Hun ‘Milonga sentimental’ (1931) betekende de vernieuwing van het genre. Manzi voegde daar een poëtisch hoogwaardige tekst aan toe. Het nummer werd door de toen populaire Carlos Gardel opgenomen. Er volgden er nog zoals ‘Milonga del novecientos‘ (1933), ‘Milonga triste‘ (1936) en ‘Milonga de los fortines‘ (1937). Maar het stopte niet met milonga’s, de walsen ‘Esquinas porteñas’ , ‘Paisaje’ en de tango ‘El pescante’ waren ook van hun hand.
In 1943 voerde de militaire dictatuur een censuur op het lunfardo in. Ook alle referenties naar dronkenschap, amoreel of negatief taalgebruik werden verboden. De tango ‘Tal vez será mi alcohol’ , in 1943 door Lucio Demare gecomponeerd en opgenomen, veranderde Manzi in ‘Tal vez será su voz’. De tekst paste hij aan zodat de hoofdpersoon niet langer het meisje was dat tot in de vroege uurtjes in het cabaret werkte. De beperkingen gingen door toen de regering van generaal Juan Perón in 1946 aantrad. In 1949 vroegen de directeuren van SADAIC [7] waaronder Manzi tevergeefs bij de bevoegde instanties ze op te heffen. Op audiëntie bij Perón beweerde deze laatste niet op de hoogte te zijn van het bestaan van de richtlijnen. Er kwam een compromis. De auteursvereniging en de autoriteiten kwamen een lijst van populaire liedjes overeen die niet op de radio mochten komen.
[7]
[7] SADIAC of Sociedad Argentina de Autores y Compositores de Música. Auteursrechtenvereniging, bij ons SABAM.
Eind jaren ’30 waagde hij zich aan de cinema. Hij schreef verschillende scenario’s waaronder ‘Nobleza gaucha’ (1937), een bewerking van een van de succesvolste stomme films in de geschiedenis van de Argentijnse cinema. Er volgden nog tientallen scenario’s onder meer van ‘Todo un hombre’ (1943), ‘Donde mueren las palabras’ (1946), Rosa de América (1946) en ‘Escuela de campeones’ (1950).
In samenwerking met Ulyses Petit de Murat bewerkte hij de roman ‘La guerra gaucha’ van Leopoldo Lugones, die Lucas Demare [8] in 1942 onder dezelfde naam regisseerde. Dat zelfde jaar richtte hij samen met Petrone, Demare, Sebastián Chiola en producent García Smith het productiebedrijf Artistas Argentinos Asociados op, een van de pijlers van de nationale cinematografie werd. In 1948 regisseerde hij ‘Pobre mi madre querida’ en in 1950 ‘El último payador’, gebaseerd op zijn eigen script.
Tegen die tijd was hij echter ernstig ziek. Hij bleef schrijven en werkte vooral samen met Aníbal Troilo. Kort voor zijn dood schreef hij op verzoek van Hugo del Carril ‘Payada para Perón’ en ‘Payada para Evita’. Op 3 mei 1951 stierf hij in Buenos Aires.
‘A Homero’ gecomponeerd door Aníbal Troilo met tekst van Cátulo Castillo, hier uitgevoerd door het orkest van Troilo, gezongen door Roberto Goyeneche 1961 beluister
Veel scholen, culturele centra en straten in Argentinië dragen zijn naam. Verscheidene monumenten werden ter ere van hem opgericht.
Beeld in het centrum van zijn geboortestad Añatuya
De documentaire ‘Homero Manzi, un poeta en la tormenta’ , geregisseerd door Eduardo Spagnuolo, geeft een beeld van het leven van de dichter. Bekijk hier deel 1, linken naar de andere delen op deze website.
Bandoneonspeler, orkestleider en componist. Geboren 8 maart 1901, Rodríguez, Enrique Aquilino. Pseudoniem: Luis María Meca. Overleden 4 september 1971.
Enrique Rodríguez begon zijn carrière als bandoneonspeler samen met een pianist in de bioscoop. Hij zou wat men later het orquesta de todos los ritmos noemde, oprichten, tot genoegen van de enen en ongenoegen van de anderen. Rodríguez werd zowel populair in zijn thuisland als in de rest van Zuid-Amerika.
Hij speelde ook in kleine ensembles voor de radio en sporadisch voor onder meer Juan Maglio, Juan Canaro en Ricardo Brignolo.
In 1926 trad hij in het sexteto van Joaquín Mora op. Via via kwam hij voor korte tijd bij Edgardo Donato terecht die hem sterk beïnvloedde. In 1934 begeleidde hij met een trio Francisco Fiorentino (zanger) op Radio Belgrano. Een jaar later vormde hij een kwartet met pianist Lalo Scalise, bandoneonspeler Gabriel Clausi en violist Antonio Rodio, als begeleiding van actrice en zangeres María Luisa Notar [1] met wie hij even later trouwde.
[1]
María Luisa Notar geboren in 1898 (Buenos Aires) overleden in 1968 aldaar, was actrice en zangeres. Ze was vooral actief in het theater en later ook in films
Enrique Rodríguez richtte in 1936 zijn eigen orkest op. Een jaar later nam hij Roberto Flores [2] alias ‘El Chato’ aan als zanger onder de arm.
Zijn optredens hadden een gevariëerd repertoire met tango’s, walsen, milonga’s, foxtrots, pasodobles, polka’s en ranchera’s. Men noemde het uiteindelijk “la orquesta de todos los ritmos”. Hij introduceerde blaasinstrumenten en liet vrolijke of romantische nummers aan bod komen die het publiek met enthousiasme ontving. Dat betekende dat hij een manier had gevonden om op talloze feesten zonder tussenkomst van jazz- of tropische orkesten te spelen wat toem vaak de gewoonte was.
De tangouitvoeringen waren traditioneel, ritmisch en speels zoals die van Edgardo Donato en Juan D’Arienzo. Zijn muziek is eenvoudig en toegankelijk maar toch kwalitatief met goede zangers. Dit alles maakt de dansers gelukkig.
‘La colegiala’ (FOX TROT) canta Roberto Flores 1938 beluister ‘Pues quién lo tiene’ (RANCHERA) canta Roberto Flores 1938 beluister ‘A la huacachina’ (PASO DOBLE) canta Roberto Flores 1938 beluister ‘Tengo mil novios’ (V) canta Roberto Flores 1939 beluister
Let even op dit fragmentje uit ‘Tengo mil novias’
Me gustan todas (coro) Le gustan todas. Que voy a hacerle si soy picaflor... Rubias... Morenas... (coro) Tiene centenas... Tengo un surtido de todo color... Tengo mil novias. (coro) Tiene mil novias. De los amores yo soy el campeón. Muchas novias hermosas yo tengo. (coro) Él las tiene en la imaginación.
Ik vind ze allemaal leuk hij vindt ze allemaal leuk (koor) kan ik eraan doen dat ik rokkenjager ben… blondjes… brunettes… hij heeft er honderden…(koor) Ik heb er diversen in alle kleuren… Ik heb duizend liefjes Hij heeft duizend liefjes (koor) In de liefde ben ik de kampioen Veel mooie meisjes heb ik Hij heeft ze in zijn verbeelding (koor)
Het verhaal wil dat toen Rodríguez deze wals op de markt bracht, hij O.L.Vrouw van Luján een miniatuur zilveren bandoneon beloofde als het nummer een succes werd. Hij zou zijn belofte hebben gehouden. Volgens een leerjongen bij een juwelier werd de miniatuur gemaakt. De foto van dit juweel is nog steeds te zien in de winkel in de Calle Uruguay.
[2]
[2]Roberto Flores geboren als Patti, Domingo in 1907 (Buenos Aires) en overleden in 1981 (Medellín, Colombia). Hij was zanger en componeerde een 5-tal tango’s waaronder ‘Tristeza Marinero’ samen met José Dames. Hij acteerde nog in een film en ging solo. Zijn bijnaam was El Chato.
Rodríguez nam met ‘El Chato’ 35 nummers op maar de meest representatieve zanger was Armando Moreno [3] of ‘El niño’ waarmee een 200-tal opnames werden gemaakt. Ze maakten verschillende tournees door Amerika. In Colombia werden ze verafgood. In 1965 traden ze met succes op in Peru, samen met Raúl Iriarte die bij Miguel Caló zong in de jaren ’40.
‘Clavelito chino’ (CORRIDO) canta Armando Moreno 1942 beluister ‘Concierto en el parque’ (FOX TROT) canta Armando Moreno 1940 beluister ‘Los años no curan penas’ (M) canta Armando Moreno 1940 beluister ‘Que lo sepa el mundo entero’ canta Armando Moreno 1943 beluister
Enrique Rodríguez was een muzikale duizendpoot. Hij speelde naast bandoneon nog piano en viool. Soms hanteerde hij de dirigeerstok. Hij bewerkte klassieke en populaire melodieën uit verschillende landen zonder de essentie van het ritme weg te nemen. Die veelzijdigheid garandeerde zijn internationaal succes.
[3]
[3] Armando Moreno geboren als Bassi, Armando in 1921 (Arg) en overleden in 1990 (Bogotá) was een tangozanger. Hij zong vooral bij Enrique Rodríguez maar ook bij Alfredo Attadía en Domingo Federico.
In 1944 wou Enrique de stijl van zijn orkest vernieuwen. Pianist Armando Cupo [4] en Cellist-contrabassist Roberto Garza [5] werden als arrangeurs aangetrokken. Ze speelden andere tango’s zoals ‘Naranjo en flor’ , ‘La vi llegar’ , ‘Así nació este tango’ en ‘El africano’.
Het publiek smaakte de verandering niet en beide heren konden vertrekken. Rodriguez keerde terug naar de oude stijl voor de rest van zijn carriére. Roberto Garza en Armando Moreno gingen samenwerken en dit luidde het einde in van Rodriguez – Moreno, alhoewel.
Nog andere zangers werkten met Rodriguez: Ricardo Herrera, Fernando Reyes, Omar Quirós, Roberto Videla, José Torres, Oscar Galán, Ernesto Falcón, Cruz Montenegro en Dorita Zárate. Maar het is ongetwijfeld Armando Moreno die zijn sporen naliet, hij kwam dan ook in 1951 en 1958 even terug.
‘Lagrimitas de mi corazón’ (V) canta Fernando Reyes 1947 beluister ’Te quiero igual’ canta José Torres 1949 beluister ’Sonia’ (FOX TROT) canta Armando Moreno 1959 beluister ‘Zorzal‘ (M) canta Dorita Zaráte 1969 beluister ‘El Guardian’ (V) canta Osvaldo Cruz Montenegro 1970 beluister
In 1966 begon hij zich op aanraden van zijn platenmaatschappij te presenteren als “Enrique Rodríguez y su orquesta de todos los ritmos”, waarmee hij in de ogen van sommige puristische tangofans het oordeel bekrachtigde dat hij een aanslag op het genre was.
[4] – [5]
[4] Armando Cupo geboren 1921 (Buenos Aires) en er overleden 1990 was muzikant, arrangeur, orkestleider en componeerde enkele tango’s. Hij stichtte mee het Sexteto Mayor. [5] Roberto Garza geboren als García López, José geboren 1912 (Buenos Aires) en overleden 1981 was een bandoneonspeler en componeerde 7 tango’s waaronder ‘No te apures Carablanca’ , ‘Soledad de las Barracas’ en ‘Sosiego en la noche’.
Hij componeerde een 70-tal nummers zoals ‘Amigos de ayer’ , ‘En la buena y en la mala’ , ‘Iré’ , ‘Lagrimitas de mi corazón’ , ‘Llorar por una mujer’ , ‘Son cosas del bandoneón’ , ‘ Yo también tuve un cariño’ en ‘Tengo mil novias’ – wat een van zijn grootste successen was – allemaal met teksten van Enrique Cadícamo. Verder nog ‘Adiós, adiós amor’ , ‘Cómo has cambiado pebeta’ , ‘Flor de lis’ en ‘Sandía’ .
’Son cosas del bandoneón’ canta Roberto Flores 1939 beluister ‘Iré’ canta Armando Moreno 1943 beluister ‘Lagrimitas de mi corazón’ canta Fernando Reyes 1947 beluister ‘Llorar por una mujer’ canta Armando Moreno 1941 beluister
Uitgebreide lijst met composities op volgende pagina
Miguel Caló was de zoon van Natalicia Pantano y José Caló. Zijn broers Juan, Francisco (Roberto), Salvador, Antonio en Armando waren ook musici.
Miguel Caló vormde zijn eerste orkest in 1928 dat hij niet lang erna opdoekte om met het orkest van Cátulo Castillo in Spanje te gaan toeren. Terug in Buenos Aires richtte hij een nieuw orkest op dat hij vervolgens verliet om met Osvaldo Fresedo naar de Verenigde Staten te trekken.
Miguel Caló ging in 1934 van start met wat later “La orquesta de las estrellas” zou heten. Zijn stijl is beïnvloed door Osvaldo Fresedo met wie hij een tijdje samenwerkte en Miguel Nijensohn die op piano de muzikale frasen aaneenreeg en een ideaal ritme voor de dansers aanhield.
Dirigent Caló kon een groep jonge virtuoze artiesten bij elkaar krijgen. De meesten vormden uiteindelijk hun eigen ensembles. Niet voor niets is dit “La orquesta de las estrellas”. Laten we even de sterren aan bod komen die de revue passeerden.
Carlos Dante
Miguel Caló debuteerde op plaat begin jaren ’30 met twee nummers met de voor ons onbekende zanger Roman Prince [1]. Van 1934 tot 1936 kwamen 18 nummers met zanger Carlos Dante [2] op plaat uit. Dante debuteerde bij Francisco Pracánico. De eerste platen met Dante als zanger werden in 1928 met Juan D’Arienzo opgenomen, hij passeerde ook nog bij Rafael en Francisco Canaro. Daarna zong hij tot 1936 voor Caló. Na een lange pauze had hij vanaf 1944 succes bij Alfredo De Angelis.
‘Amarguras’ (V) canta Román Prince 1932 beluister ‘Milonga Porteña’ (M) canta Román Prince 1932 beluister ‘Caballo de callecita’ canta Carlos Dante 1936 beluister
[1] en [2]
[1] Román Prince: geboren 3 mei 1900 (Buenos Aires) als Principato, Ramón – overleden 24 juli 1968. [2] Carlos Dante met als achternaam Testori, geboren 12 maart 1906 (Buenos Aires) – overleden 28 april 1985. Hij werd als zanger vooral bekend bij Alfredo de Angelis en componeerde een 5-tal nummers.
Alberto Podestá en Raúl Berón
Eind jaren ’30 bracht Caló enkele platen met zangers Alberto Morel en zijn broer Roberto Caló [3] uit. Miguel had toen een toporkest opgebouwd en nam de jonge zangers Alberto Podestá [4] en Raúl Berón [5] onder de arm. Beide heren debuteerden op plaat bij Caló en zouden later nog veel succes kennen. Alberto Podestá verliet het orkest om bij Carlos Di Sarli te gaan zingen maar zal nog enkele keren terugkeren. Hij zong ook nog voor Pedro Laurenz, Enrique Francini, Armando Pontier en vele anderen.
En dan hebben we Raúl Berón die oorspronkelijk folkloristische liedjes zong en die de directie van het radiostation waar Caló speelde, wilde ontslaan in 1942. Maar op dat moment was de plaat met ‘Al compás del corazón’ en ‘El vals soñador’ zo succesvol dat ze van mening veranderde. Berón ging in 1943 bij Lucio Demare zingen , echter met minder succes en keerde verschillende keren naar Caló terug. Hij maakte nog carrière bij Francini-Pontier en grootmeester Aníbal Troilo.
‘Luces del puerto’ (Fox Trot) canta Roberto Caló 1938 beluister ‘Bajo un cielo de estrellas’ (V) canta Alberto Podestá 1941 beluister ‘El vals soñador’ (V) canta Raúl Berón 1942 beluister ‘Al compás del corazón’ canta Raúl Berón 1942 beluister
[3] – [5]
[3] Roberto Caló: geboren 26 april 1913 (Buenos Aires) als Caló, Francisco – overleden 26 april 1985 was pianist, orkestleider, zanger en acteur. Hij componeerde een 5-tal nummers. [4] Alberto Podestá: geboren 22 september 1924 (San Juan, Arg.) als Alé, Alejandro Washington – overleden 9 december 2015, was zanger. [5] Raúl Berón: geboren 30 maart 1920 (Buenos Aires) – overleden 28 juni 1982 was zanger.
Raúl Iriarte
Jorge Ortiz [6], later de kenmerkende zanger van Rodolfo Biagi, verving Berón en kreeg Podestá aan zijn zijde. Toen deze laatste vertrok prees tekstschrijver Oscar Rubens zanger Raúl Iriarte [7] aan en in 1943 ging hij zingen bij Caló. De combinatie Caló – Iriarte pakte het publiek in met nummers als ‘Mañana iré temprano’ en ‘Cada día te extraño más’.
‘Mañana iré temprano’ canta Raúl Iriarte 1943 beluister ‘Cada día te extraño más’ canta Raúl Iriarte 1943 beluister
[6] en [7]
[6] Jorge Ortiz: geboren 18 september 1912 (Buenos Aires) als Alessio, Juan Edelmiro – overleden 18 februari 1989, was zanger. [7] Raúl Iriarte: geboren 15 oktober 1916 (Buenos Aires) als Fiorentino, Rafael – overleden 24 augustus 1982, was zanger.
De muzikanten
Het succes was mede te danken aan topmuzikanten zoals violisten Enrique Francini , Aquiles Aguilar, Antonio Bogas en Mario Lalli, bandoneonisten Domingo Federico, Armando Pontier, José Cambareri en Felipe Richiardi, pianist Osmar Maderna en contrabassist, broer van Miguel, Armando Caló. Miguel zelf begon in 1939 hoofdzakelijk als dirigent. Het orkest moest niet onderdoen voor dat van Troilo, Di Sarli of D’Arienzo. Luister maar eens naar volgend pareltje.
‘Ya sale el tren’ canta Jorge Ortiz 1943 beluister
Domingo Federico [8] was leerling van Pedro Maffia en speelde vóór 1940 bij verschillende formaties van onder meer Carlos Di Sarli. Hij begon in 1943 met een eigen orkest en gaf later bandoneonles.
Enrique Francini [9], Armando Pontier [10] en Héctor Stamponi [11] waren studiegenoten die samen voor de radio speelden. Ze belandden alle drie bij Caló. Francini en Pontier verlieten eind 1945 het orkest om samen hun eigen groep te leiden. Deze heren visten Podestá en Berón op. Héctor Stamponi vertrok al in 1939.
Osmar Maderna [12] werd de nieuwe pianist. Door zijn speelse muziekspel kreeg Maderna de bijnaam ‘El Chopin Del Tango’. Zijn talent als pianist en arrangeur leidde mee tot het succes van het orkest en gaf het ensemble het karakter dat het voor altijd zou typeren. In 1946 begon Maderna met een eigen orkest.
[8] – [12]
[8] Domingo Serafín Federico geboren 1916 (BA) – overleden 2000 was bandoneonspeler -en docent, orkestleider, componist. [9] Enrique Mario Francini geboren 1916 (San Fernando prov. BA) – overleden 1978 was violist, orkestleider en componist. [10] Armando Francisco Pontier geboren 1917 (Zárate prov. BA) – overleden 1983 (BA) was bandoneonspeler, orkestleider en componist. [11] Héctor Luciano Stamponi alias Chupita geboren 1916 (BA) – overleden 1997 (BA) was pianist, orkestleider, componist en arrangeur. [12] Osmar Héctor Maderna alias El Chopín Del Tango geboren 1918 (Pehuajó prov. BA) – overleden 1951 was pianist, orkestleider, componist en arrangeur.
Een nieuw orkest
Op korte tijd vertrokken de belangrijkste muzikanten zodat Caló een nieuw orkest moest oprichten. Miguel Nijensohn die mee aan de wieg van het oorspronkelijk orkest lag, keerde terug als pianist en arrangeur. Iriarte bleef zanger tot 1947 en kreeg onder meer Roberto Arrieta [13] aan zijn zijde.
In 1961 zorgde Caló voor een reünie met zangers Raúl Berón en Alberto Podestá, bandoneonisten Armando Pontier en Domingo Federico en violist Enrique Francini. Versterkt door violist Hugo Baralis en pianist Orlando Trípodi werkten ze onder de naam “Miguel Caló y su Orquesta de las Estrellas”. Ze traden op voor Radio El Mundo en brachten in 1963 een LP met 12 nummers uit.
‘Que falta que me hacés’ canta Alberto Podestá 1963 beluister
[13]
[13] Roberto Arrieta geboren Arrieta, Pedro Rosa 1915 (Rosario prov. Santa Fe) – overleden 1978 (BA) was zanger.
Miguel Caló was geen uitmuntend componist maar werkte samen met muzikanten Miguel Nijensohn en Osmar Maderna. ‘Jamás retornarás’ en ‘Qué te importa que te llore’ met de stem van Raúl Berón zijn pareltjes. De tango ‘Dos fracasos’ en de milonga ‘Cóbrate y dame el vuelto’ waren ook erg populair. Francisco Canaro nam ‘Copa de amargura’ twee keer in één dag op, een met Félix Gutiérrez en een andere met Ada Falcón. Caló zelf zette het niet op plaat.
‘Copa de amargura’ tekst Enrique Maroni: Francisco Canaro canta Félix Gutiérrez 1932-09-23 beluister Francisco Canaro canta Ada Falcón 1932 beluister
Volledige lijst met composities op volgende pagina
Rosa Luciano en Miguel Mele waren Italianen die zich aan het einde van de 19e eeuw in Montevideo vestigden. Ze kregen negen kinderen en Rosa Clotilde was de jongste. In 1900 emigreerde de familie naar Buenos Aires.
Rosita hield van muziek en speelde al piano toen ze vier was. Ze componeerde ‘Desde el alma’ al op jonge leeftijd, een wals die later wereldberoemd zou worden. In 1920 werd het nummer voor het eerst op plaat gezet.
Rosita Melo ging naar het conservatorium en studeerde af als pianolerares. Ze gaf concerten met klassieke en populaire muziek in verschillende culturele centra van Buenos Aires en won allerhande medailles en prijzen.
In 1922 trouwde ze met de dichter en schilder Victor Piuma Vélez [1]. Ze bundelden hun krachten, Victor schreef teksten op haar composities. Ze kregen 3 kinderen, een zoon die vroeg overleed en 2 dochters, Hebe Lia en Emilce Susana.
In 1976 stierf haar man. Ze ging bij haar oudste dochter wonen en bleef tot aan haar overlijden piano spelen.
[1]
[1] Victor Benedicto Piuma Vélez, geboren 12 januari 1892 (Buenos Aires) – overleden 28 juni 1976, was dichter en schilder.
Haar hele leven lang componeerde ze tango’s, klassieke en criollo walsen, pasodobles, polka’s en marsen. Haar man schreef er de teksten voor. Waaronder ‘Oración’ , ‘Tatita’ en ‘Aquel entonces’, en de walsen ‘Yo te adoro’, ‘Por el camino’ , ‘Una lágrima para papá’ , ‘Cuando de ti ya lejos’ en ‘Aquellos catorce años’.
Haar stoffelijk overschot ligt, samen met haar man, sinds 2006 in de Rincón de las Personalidades van de Chacarita begraafplaats.
In 2001 erkende Buenos Aires Rosita Melo als een van de iconische vrouwen van de 20e eeuw. Op Internationale Vrouwendag wordt ze samen met 13 andere belangrijke vrouwen geëerd.
In 2013 werd in Montevideo een beeld als eerbetoon aan de kunstenares onthuld. (het werk van de meester Antonio Masini)
‘A Rosita Melo’ compositie en tekst van dochter-componiste Hebe Melo uitgevoerd door Trío Marmo canta Hugo Beltrán. beluister
Om de beste ervaringen te bieden, gebruiken wij technologieën zoals cookies om informatie over je apparaat op te slaan en/of te raadplegen. Door in te stemmen met deze technologieën kunnen wij gegevens zoals surfgedrag of unieke ID's op deze site verwerken. Als je geen toestemming geeft of uw toestemming intrekt, kan dit een nadelige invloed hebben op bepaalde functies en mogelijkheden.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.